Het zwarte goud

HET ZWARTE GOUD
Geschreven door Bert Plomp

Als je goed je best doet, dan zie je er misschien een in het dagelijks leven. Een zwarte stratenmaker, een zwarte rietdekker, een zwarte paardenslager, een zwarte orgelman, een zwarte glazenwasser of een zwarte veeboer. Zwarte mensen van negroïde afkomst, bedoel ik. Dus volgens de “oude definitie van zwart”, zal ik maar zeggen.
Hoeveel zwarte mensen zouden er in ons landje leven? Het zullen er beslist niet meer zijn dan een miljoen. Dat is dus een op de zeventien inwoners. Als je dan nog eens in aanmerking neemt, dat een deel van hen schoolgaand of bejaard is, of om een andere reden niet aan het arbeidsproces deelneemt, dan is die constatering niet zo vreemd.

Toen ik gisteravond tv zat te kijken, rolde er weer een hele reeks reclames over de buis. Reclames van allerhande bedrijven en instellingen.
Nu heb ik een bloedhekel aan tv-reclames. Daarom kijk ik bij voorkeur niet naar commerciële zenders. Nog afgezien van het feit dat daarop hoofdzakelijk van die Amerikaanse shitfilms worden vertoond. Van die B-films, waarvan iemand met het intellect van een mossel, binnen een minuut na aanvang, al het verdere verloop kent.
Het zijn van die luidruchtige, stompzinnige reclames, die zo’n film een hele avond in beslag doen nemen. Niets voor mij dus.
Het valt me al een tijdje op dat reclamemakers er veel werk van maken om de spotjes in te vullen met zwarte acteurs en actrices. Hetgeen in de verste verte niet representatief is voor de werkelijke samenstelling van de bevolking. Gisteren zag ik nota bene een spotje met uitsluitend zwarte mensen. Een McDonald’s vestiging met uitsluitend zwart personeel en zwarte klanten. Het had opgenomen kunnen zijn ergens in Centraal-Afrika.

Je kunt je afvragen waar die misleidende voorstelling van zaken vandaan komt. Natuurlijk is het reclamemakers sowieso eigen, de consument de zaken fraaier voor te stellen dan ze zijn.
Thans worden zij daartoe extra aangemoedigd door de BLM-rage. Een rage die zich als een olievlek verspreidt. Door extremistische, stuwende krachten achter deze beweging in de VS, heeft die vlek zich in korte tijd over de oceaan oostwaarts verspreid en de Nederlandse kust bevuild.
Waar jan en alleman zich normaliter het vuur uit de sloffen loopt om zo’n vervuiling te weren en op te ruimen, laat hij het nu allemaal op zijn beloop. Sterker nog, onze minister-president heeft verkondigd dat er in Nederland sprake is van systemisch racisme. Met andere woorden: racisme en discriminatie zitten in ons systeem. We zijn ermee opgegroeid, we ervaren het niet en we weten niet beter.
Ofschoon er heel wat meer groeperingen in Nederland te bedenken zijn en daarvoor eerder in aanmerking zouden moeten komen, nodigt onze premier een aantal lawaaischoppers van KOZP en BLM uit om bij hem op het Catshuis een kopje thee te komen drinken en hun misnoegen met hem te delen.
Mede door Ruttes actie en de agenda van groen slinkse BLM-aanhangers, heerst er in Nederland een soort schuldbesef tegenover niet-blanke medelanders. Dat alles ingebed in een corona-crisis, maakt de Nederlandse burger zwaarmoedig.

“Gelukkig” zijn er in zo’n situatie altijd mensen die opstaan en ons de helpende hand bieden. Helpen om uit de problemen te komen. Het zwarte goud lonkt.
De reclamemakers en hun commerciële opdrachtgevers lopen voorop. Reclames worden royaal uitgedost met zwarte mensen en mensen met een kleurtje. Terwijl zij op die wijze een steentje denken bij te dragen aan het tegengaan van racisme en discriminatie, hopen zij toch vooral de klant naar zich toe te trekken.

En wat te denken van die grapjurk van Denk. Die man wil een miljard euro uitgeven aan het bestrijden van racisme en discriminatie. Zou dat bestemd zijn om zijn eigen supporters een lesje te leren. Supporters die Joden, homo’s en vrouwen discrimineren? Het kan allemaal in ons koude kikkerlandje.

Dan zijn er nog de welzijnswerkers. Want laten we welzijn, zonder hun inzet is Nederland verloren.
Inmiddels heeft al een aantal goeroes de markt bestormd met zelfgeschreven boekjes over hoe je racisme uit je systeem kunt verwijderen. Om met zo’n heelmeester in zee te kunnen gaan, moet je wel bereid zijn te accepteren dat je racistisch bent. Of bereid zijn dat samen met hem of haar te ontdekken. Omdat het een systemisch mankement betreft, kun je er vergif op innemen dat je de dans niet ontspringt.
Toen ik onlangs zo’n vrouwelijke genezeres, refererend aan haar eigen boekje, aan het woord hoorde op tv, zag ik precies voor me wat een patiënt bij haar te wachten staat. Na een aantal intensieve gesprekken en na wat opgedragen zelfstudies, luidt de conclusie dat je kampt met racistische trekjes. Nadat zij via nog wat consultjes je ervan af heeft geholpen, stort je tenslotte snikkend ter aarde en vraag je geknield je zwarte medemens om vergeving. De genezeres heeft onderwijl aan de hele inhoud van een pak inlegkruisjes niet genoeg om het droog te houden tussen haar benen.

Nu ik hierover schrijf, komt een erotische herinnering weer in mij op.
Een aantal jaren geleden zag ik in mijn verbeelding een bloedmooie negerin, hoog gezeten op een witte schimmel, met slechts een mijter op, van de stoomboot uit Spanje stappen. Zij werd begeleid door een tweetal lichtblonde, in pagepakjes gestoken dienaars. Deze twee hulpjes liepen aan weerkanten van het paard, voorover gebukt onder de stijgbeugels. De dag dat dit beeld werkelijkheid wordt, komt steeds dichterbij. Ik verheug me erop.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/

Reintje slaat toe

REINTJE SLAAT TOE
Geschreven door Bert Plomp

Het is alweer een jaar geleden dat ik bij mijn farm house arriveerde en niet opgewonden begroet werd door mijn kippen. Geen driftig heen en weer gedribbel, geen opgewonden gekakel.
Ik vreesde dat er iets niet in de haak was. Mijn vrees werd bewaarheid toen ik naar de kippenren liep.
Geen kip te bekennen, behalve de romp van een kip, waarvan de kop afgebeten was. Het beestje was tot aan zijn nek door het gaas getrokken.
Terwijl ik het hele gebied binnen de ren afzocht, kwam luid kakelend een kip uit het bos aan rennen. Zij was de enige van de zeven kippen, die de aanslag had overleefd. Het was dezelfde klip die al eens eerder een zware aanval had doorstaan. Toen Maggie, een van onze border collies, zich over haar had ontfermd.
Bedroefd heb ik de stoffelijke resten van de onthoofde kip begraven. Van de overige kippen heb ik nooit meer iets gezien of vernomen.
Hoewel de ren behoorlijk goed beveiligd was tegen indringers als vossen en marters, heb ik de ren nog verder vergroot en tot zeker tweemeter hoog gaas gespannen. Om te beginnen schapengaas en daar overheen nog eens fijn kippengaas. Aan de grond de afzetting goed ingegraven en met flinke stenen afgerond. Het centrale gedeelte, waarbinnen het kippenhok zich bevindt, was al extra beveiligd, maar dat heb ik toen ook nog eens met gaas overdekt tegen aanvallen uit de lucht.
Het kippenhok, zeg maar kippenvilla, vormt het centrum van een ren die thans zo’n 300 vierkante meter groot is. Alle naaldbomen, die zich binnen de ren bevinden, hen ik aan de onderaan takvrij gemaakt. Kippen houden van bomen, om in te klimmen. Vandaar.
Tegenover al deze inspanningen staat, dat ik dagelijks verse eitjes mag ontvangen en het plezier beleef aan het horen van gelukkige, kakelende kippen.
Kippetjes die niet meer leggen, blijven gewoon bij mij wonen. Die hebben al hun best gedaan.
Het is natuurlijk jammer dat vossen, en mogelijk marters, mijn kippenvolkje drastisch heeft uitgedund. Maar in de natuur is het nu eenmaal eten en gegeten worden. Ik kan me verenigen met de gedachte dat moeder vos en haar welpjes langs zijn gekomen om hun honger te stillen.
Inmiddels is het kippenvolk weer enigszins op peil. Er lopen nu vier gevederde vriendinnen rond. Zelfs met het uitdelen van eieren aan buren, was het consumeren van eieren van zeven kippen toch wel een beetje te veel van het goede.
Als je zo bezig bent met het wel en wee van kippen en dieren in het algemeen, dan valt het weer rauw op je dak als je het nieuwslezeresje, met haar strak naar voren staande tietjes, emotieloos hoort zeggen op het journaal dat er weer 215 duizend kippen zijn geruimd.
Keer op keer vraag ik me af in wat voor een gewetenloze machinerie we zijn beland. Het ruimingsbericht komt bijna over als: “Kijk eens, dat hebben we in no time toch maar weer geflikt”.
De manier waarop we met andere warmbloedige wezens omgaan, is werkelijk ten hemel schreiend. En nu ik het toch over de hemel heb, vind ik dit “menselijk” handelen eens temeer aantonen dat de mens goddeloos bezig is. Ik geloof er namelijk geen snars van dit omgaan met dieren. Gods idee w as. Het is gewoon een smerige overlevingsstrategie van dieren op twee boten, die zich mensen noemen.
Vroeger of later gaan we allemaal dood. Het enige wat mij aantrekt in de dood is, dat ik geen getuige meer hoef te zijn van al dat dierenleed.

REINTJE SLAAT TOE

REINTJE SLAAT TOE
Geschreven door Bert Plomp

Het is alweer een jaar geleden dat ik bij mijn farm house arriveerde en niet opgewonden begroet werd door mijn kippen. Geen driftig heen en weer gedribbel, geen opgewonden gekakel.
Ik vreesde dat er iets niet in de haak was. Mijn vrees werd bewaarheid toen ik naar de kippenren liep.
Geen kip te bekennen, behalve de romp van een kip, waarvan de kop afgebeten was. Het beestje was tot aan zijn nek door het gaas getrokken.
Terwijl ik het hele gebied binnen de ren afzocht, kwam luid kakelend een kip uit het bos aan rennen. Zij was de enige van de zeven kippen, die de aanslag had overleefd. Het was dezelfde klip die al eens eerder een zware aanval had doorstaan. Toen Maggie, een van onze border collies, zich over haar had ontfermd.
Bedroefd heb ik de stoffelijke resten van de onthoofde kip begraven. Van de overige kippen heb ik nooit meer iets gezien of vernomen.
Hoewel de ren behoorlijk goed beveiligd was tegen indringers als vossen en marters, heb ik de ren nog verder vergroot en tot zeker tweemeter hoog gaas gespannen. Om te beginnen schapengaas en daar overheen nog eens fijn kippengaas. Aan de grond de afzetting goed ingegraven en met flinke stenen afgerond. Het centrale gedeelte, waarbinnen het kippenhok zich bevindt, was al extra beveiligd, maar dat heb ik toen ook nog eens met gaas overdekt tegen aanvallen uit de lucht.
Het kippenhok, zeg maar kippenvilla, vormt het centrum van een ren die thans zo’n 300 vierkante meter groot is. Alle naaldbomen, die zich binnen de ren bevinden, hen ik aan de onderaan takvrij gemaakt. Kippen houden van bomen, om in te klimmen. Vandaar.
Tegenover al deze inspanningen staat, dat ik dagelijks verse eitjes mag ontvangen en het plezier beleef aan het horen van gelukkige, kakelende kippen.
Kippetjes die niet meer leggen, blijven gewoon bij mij wonen. Die hebben al hun best gedaan.
Het is natuurlijk jammer dat vossen, en mogelijk marters, mijn kippenvolkje drastisch heeft uitgedund. Maar in de natuur is het nu eenmaal eten en gegeten worden. Ik kan me verenigen met de gedachte dat moeder vos en haar welpjes langs zijn gekomen om hun honger te stillen.
Inmiddels is het kippenvolk weer enigszins op peil. Er lopen nu vier gevederde vriendinnen rond. Zelfs met het uitdelen van eieren aan buren, was het consumeren van eieren van zeven kippen toch wel een beetje te veel van het goede.
Als je zo bezig bent met het wel en wee van kippen en dieren in het algemeen, dan valt het weer rauw op je dak als je het nieuwslezeresje, met haar strak naar voren staande tietjes, emotieloos hoort zeggen op het journaal dat er weer 215 duizend kippen zijn geruimd.
Keer op keer vraag ik me af in wat voor een gewetenloze machinerie we zijn beland. Het ruimingsbericht komt bijna over als: “Kijk eens, dat hebben we in no time toch maar weer geflikt”.
De manier waarop we met andere warmbloedige wezens omgaan, is werkelijk ten hemel schreiend. En nu ik het toch over de hemel heb, vind ik dit “menselijk” handelen eens temeer aantonen dat de mens goddeloos bezig is. Ik geloof er namelijk geen snars van dit omgaan met dieren. Gods idee w as. Het is gewoon een smerige overlevingsstrategie van dieren op twee boten, die zich mensen noemen.
Vroeger of later gaan we allemaal dood. Het enige wat mij aantrekt in de dood is, dat ik geen getuige meer hoef te zijn van al dat dierenleed.

Aflevering 4: Waar koop je een condoom?

WAAR KOOP JE EEN CONDOOM?
Geschreven door Bert Plomp

Op een van mijn keldertochten door het centrum van Utrecht had ik een mooie blondine, Ellen genaamd, ontmoet. Ze leek op een van de dames, maar dan wel een geklede versie, uit de fotoboekjes in het geheime kistje.
Haar vader was tandarts. Je zou denken: “Met zo’n meisje kun je gerust thuiskomen”. Toch niet, want mijn ouders waren nog lang niet zo ver dat je je veroveringen mee naar huis kon “slepen”.
Hoewel mijn ouders zich nooit echt hebben uitgelaten over wat je wel niet kon oplopen als je op jonge leeftijd seksueel iets had met een meisje, dreigde dat blindheid verre te overstijgen.
De onmogelijkheid om een meisje in je kamer thuis te ontvangen, maakte een intiem contact veel gecompliceerder.
Mijn blondine en ik kenden elkaar inmiddels een aantal weken en we dachten allebei “nu moet het maar eens gebeuren”. Ik had dagenlang nagedacht over hoe het precies moest. Met de onderlichamen tegen elkaar duwen, stond mij duidelijk voor ogen, maar het gebruiken van een condoom was een allereerste vereiste. Hoe kom ik in hemelsnaam aan een condoom, ik kon moeilijk naar “Tante Greet” gaan, de drogist bij ons in het Lodewijk Napoleonplantsoen, en bij haar een voorbehoedsmiddel bestellen. Tante Greet was namelijk veel te goed bevriend met mijn ouders om dit zonder risico te kunnen doen.
Gelukkig had ik een oudere vriend, te weten Gerrit. Gerrit woonde op de Koningsweg en hij was bestekzoeker bij de Malba houthandel in de Gansstraat. Je zou kunnen denken dat een bestekzoeker iets van doen heeft met het keurig inrichten van een tafel voor een diner. Dat is niet zo: zijn taak is het bijeenzoeken van een bestelling van hout.
Gerrit had hoe dan ook ervaring in het op bestelling vergaren van zaken en omdat hij 10 jaar ouder was dan ik, was hij ook gerechtigd, zonder verdacht over te komen, een condoom te bestellen.
Aldus geschiedde.
Samen met Ellen trok ik op een avond in november 1964 erop uit om voor de eerste keer echt seks te hebben. Op eerbiedige afstand werden wij gevolgd door Gerrit met het condoom in z’n broekzak. We togen naar het viaduct over de Kromme Rijn, niet ver gelegen van het Stadion Galgenwaard, alwaar onze “amoureuze daad” zich moest voltrekken.
Het was november en het was guur en nat. Onder het viaduct stond je weliswaar droog, maar het was natuurlijk verre van ideaal om er iets romantisch van te maken. Thans weet ik maar al te goed hoe teder de aanpak moet zijn om “de daad” tot volle tevredenheid van beide geliefden te voltooien.
Ondanks alle slechte omstandigheden, overhandigde mijn secondant in het spel op exact het juiste moment het voorbehoedmiddel en verdween vervolgens kies in het duister.
Het omdoen van het condoom was natuurlijk geen al te ingewikkelde zaak, des te ingewikkelder het vervolg.
Het werd één groot fiasco.
Na een half uur “vruchteloos” wederzijds geduw met het onderlichaam, hielden we het voor gezien en begaven we ons weer naar de bewoonde wereld. Het condoom hield ik voor alle zekerheid nog maar even om die avond. Ik weet niet zeker of dat was omdat ik nog een nieuwe poging overwoog of dat ik 100% zeker wilde zijn dat Ellen niet alsnog zwanger zou geraken. Je hoorde zulke bizarre verhalen in die tijd.