Aflevering 1: Leuke jonge mensen

LEUKE JONGE MENSEN
Geschreven door Bert Plomp

Mijn moeder was een strijdvaardige vrouw. Nooit te beroerd om haar mening te uiten. Tegen wie of waar dan ook.
Haar kritische blik was dodelijk. Die blik deed menigeen ineen duiken, nog voordat ze iets had gezegd. Die houding viel niet altijd in goede aarde.
Ik vrees dat ik in dat opzicht ook iets van mijn moeder heb meegekregen. Ik voer zaken echter niet zo gauw op de spits.

De relatie met mijn moeder is lange tijd nogal stroef geweest. Pas toen ik definitief uit huis was, verbeterde de band met haar. Ze had het ook bepaald niet makkelijk met een stel van die provocerende jongeren in huis.
Bovendien vond ik dat ze mij op jonge leeftijd regelmatig in de kou liet staan. Mij in belangrijke situaties niet steunde of beschermde tegen “de boze buitenwereld”.
Van tonen van liefde was al helemaal geen sprake. Dat paste ook niet binnen de ouderwetse, strenge opvoeding van destijds.
Van vaders zijde viel trouwens evenmin wat te verwachten.
Het had heel anders kunnen uitpakken, indien zij een vleugje moederschap had getoond van zo’n warmbloedige Antilliaanse mamma. Zo’n moeder die door dik en dun gaat voor haar kroost. Als een leeuwin haar kind beschermt. Die haar hele leven geeft voor zijn welzijn. Die absoluut niets negatiefs over haar kind wil horen, ook al is het een crimineel van de bovenste plank.

Het bevreemdde me wel dat mijn moeder zeer begaan was met het lot van andermans kinderen. Kleintjes die, gedurende haar Leger des Heils periode, aan haar waren toevertrouwd. Kindjes in weeshuizen, die ze in haar armen koesterde en met overgave verzorgde.
Ze zal misschien gedacht hebben: “Vergeleken met die weeskinderen en de aandacht die ikzelf vroeger kreeg, hebben die jongens van mij niets te klagen”. Daar had ze natuurlijk volkomen gelijk in. Ik neem haar dan ook niets kwalijk.

Na mijn vaders dood werd de relatie met mijn moeder steeds beter en heb ik veel plezier aan haar beleefd.
Ze kon er heel goed tegen dat ik haar regelmatig plaagde. Ik nam haar vaak op de korrel met haar geloof.
Reeds lang had ze de hoop opgegeven dat er ooit nog een godvruchtig persoon uit mij zou opstaan. Dat ik ooit waarde zou hechten aan haar geloofsovertuiging.
Ik kan me nog goed herinneren, toen ik in haar ogen al veel te lang volkomen los van God was, dat ze me keer op keer probeerde te paaien voor de “EO-jongeren dag”.
Ieder jaar attendeerde ze mij op dit christelijke festijn in stadion Galgenwaard. Dat het weer aanstaande was. Dat die dag door zoveel leuke jonge mensen bezocht werd. Jongeren als ik. Dus helemaal niet van die heilige boontjes. Ze zei nog net niet: “Als je lekkere jonge meiden wilt ontmoeten, dan moet je naar Galgenwaard gaan”.
Ik heb haar nooit het plezier gedaan een keer gevolg te geven aan haar aanbeveling. Die mensen waren dan wel jong, maar daar hield iedere overeenkomst met mij wel op.
Later realiseerde ik me, dat als er op zo’n christelijke landdag leuke, mannelijke jongeren als Arie Boomsma afkwamen, er vast ook wel vrouwelijke jongeren van dat kaliber acte de présence zullen hebben gegeven. Toch een gemiste kans dus.

Mijn jongere broer Charles en ik zagen niets in een christelijke carrière. Tot groot verdriet van mijn ouders, deden wij er alles aan om ons zo snel mogelijk aan het goddelijke oog te ontworstelen.
Mijn oudste broer Theodorus, oftewel het cadeautje van God, was destijds wat vromer uitgevallen. Bovendien was hij leergieriger en wilde ook wel wat opsteken uit de heilige schrift.
Zondags werden de drie broers naar de zondagsschool gestuurd. Voor deze noodzakelijk geachte, christelijke bijscholing, kreeg eenieder wat collectegeld mee.
De bewuste school bevond zich in een zijstraat van de Adriaen van Ostadelaan, schuin tegenover de hervormde kerk aldaar.
Hoewel Theo de catechisatie trouw bezocht, bleven Charles en ik op twee bezoekjes aan dit onderricht in de geloofsleer steken.
Aan het einde van het tweede bezoek werden wij vriendelijk doch dringend verzocht niet meer weder te keren. We zaten onder de bijbel-vertellingen namelijk hardop te vloeken.
Desondanks, liepen Charles en ik nog maandenlang richting zondagsschool op de zondagmorgen.
Het collectegeld werd echter anderszins besteed. Aan patat en cola in een nabij gelegen cafetaria.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/