Sportief bezig zijn

SPORTIEF BEZIG ZIJN
Geschreven door Bert Plomp

Toen ik veel jonger was dan vandaag de dag, had ik twee broers en één zus.
Later veranderde één van mijn broers in een tweede zus. En nog weer later wijzigde de situatie in één broer en één zus door het overlijden van die tweede zus.
Theo is de oudste, hij is van 1943, daarna kom ik (1948), daarna Charles annex Carla (1950) en ten slotte Saskia (1956).
Wij speelden niet echt met elkaar, althans niet thuis, en ieder had zijn eigen vriendenkring. Wel deden wij jongens tezamen veel aan sport, zoals straatvoetbal en lange afstand hardlopen. Alle drie hadden we veel plezier in hardlopen.
Toen we tieners waren en veel tijd op camping Het Grote Bos doorbrachten, namen we iedere zondagmiddag in de zomer deel aan de “Ronde van Het Grote Bos”: een rondje hardlopen om de camping heen van zo’n vijf kilometer. Het was niet zelden zo dat we als eerste drie finishten in een tijd van rond de 18 minuten.
In die dagen was Theo vaak de eerste. Toen sprak het leeftijdsverschil nog in zijn voordeel. Zo nu en dan was ik echter de snelste.
Het mooiste moment van zo’n wedstrijddag was de huldiging ‘s avonds op het grote plein van de camping. Tijdens de zondagse dansavond werden de winnaars bekend gemaakt en uitgenodigd op het erepodium plaats te nemen en tegenover de enthousiaste menigte een medaille in ontvangst te nemen. De winnaars konden voor de rest van de avond zich verheugen op de warme belangstelling van verscheidene mooie meisjes in het publiek. Dit laatste was voor mij altijd aanleiding om op welke wijze dan ook een greep te doen naar het hoogste eremetaal.
Dat verlangen bracht mij eens tot het volgende snode plan. Op een zondag, toen ik niet zo veel puf had om dat hele eind me uit de naad te rennen, besloot ik om het eerste stuk weliswaar flink mee te lopen en vervolgens halverwege, uit het zicht van iedereen, via een achteringang of -uitgang van het bos – het is maar van welke kant je komt – een heel stuk af te snijden. Zodoende verscheen ik, ver voor de rest van het deelnemersveld uit, aan het begin van de Hydeparklaan om de laatste 500 meter naar de finish af te leggen.
Ik kon de massa reeds horen juichen en verkeerde al in een zekere mate van extase bij de gedachte dat al die bewonderende meisjes mij aanstonds aan de finish om mijn nek zouden vliegen.
Plotseling besefte ik echter dat ik binnen de 14 minuten zou gaan finishen en het wereldrecord op die afstand ruim zou verbeteren. Toen heb ik toch maar voor alle zekerheid besloten het parcours via een zijweggetje te verlaten en heb ik onopgemerkt ergens ruim achter de eindstreep mijn tent opgezocht. Ik wilde tenslotte, zoals zo vele andere topsporters, niet te vroeg pieken in mijn nog zo prille hardloopcarrière.
Later, toen het echte hardloopwerk zich aandiende, hebben Theo, Charles en ik heel wat marathons in den lande gelopen.
Tijdens zo’n loop verloor je al snel een kilootje of drie. Deze verontrustende gewichtsafname werd evenwel direct na afloop van de race op het terras van een lokale kroeg hersteld.
Uit die tijd stamt ook mijn beste tijd van 2 uur en 40 minuten op de marathon, gelopen tijdens de marathon van Utrecht. Toen liep ik dus het hele parcours van 42 kilometer met een gemiddelde snelheid van 16 km per uur. Niet slecht, als je bedenkt dat je de basis voor zo’n prestatie naast je normale “van negen tot vijf baantje” moet leggen.
Inmiddels heb ik bij elkaar meer dan 180 duizend kilometer hardgelopen. Dat is omgerekend ruim viermaal de aardbol rond.
Op allerlei verschillende tijdstippen heb ik mijn trainingsrondjes afgelegd. Omdat het vaak ging om rondjes van 25 km, nam dat veel tijd in beslag.
Bij voorkeur liep ik mijn rondjes ‘s morgens vroeg, voordat ik naar mijn werk vertrok. Dat betekende, toen ik nog in Schiedam werkte, dat ik doordeweeks iedere morgen om 05:00 uur uit de veren moest. Dan liep ik vanuit Oog in Al in Utrecht een rondje om Kasteel Haarzuilens, gelegen in het gelijknamige dorp, en weer terug.
Af en toe was ik het zat om zo vroeg op te staan en liep ik na het werk of ‘s avonds laat. Omdat een flink stuk van de kasteelroute onverlicht was, rende ik daar regelmatig op de tast tussen de bomen door om het kasteel heen.
Direct na het werk lopen hield weer in dat je pas laat aan tafel verscheen en dat had weer allerlei sociale implicaties tot gevolg. Laat op de avond lopen had tot gevolg dat je heel laat in bed lag en, omdat je lichaam dan innerlijk nog een tijdje door jakkert, je geen slaap kon vatten.
In de tachtiger en negentiger jaren had ik een bungalow op Het Grote Bos. Samen met mijn toenmalige trouwe viervoeter Swilly, een border collie, liep ik aan het begin van ieder weekend vanuit Oog in Al naar Het Grote Bos en aan het einde van het weekend weer terug. Bij elkaar zo’n 40 kilometer. Bovendien trainde ik elk weekend wel een ronde ter lengte van een marathon in de bossen, gelegen tussen Driebergen en Veenendaal. Zodoende kom je uiteindelijk wel op die 180 duizend kilometer uit. Dit voor de rekenaars onder ons.
Een andere sport, welke we vroeger heel fanatiek op de camping bedreven, was badminton. We hadden in het bos, vlak bij onze tenten, een eigen veldje aangelegd en daarop een echt net tussen een paar palen gespannen. Bij de aanleg van dit veldje hadden we eerst dagenlang geharkt om de grond zo egaal mogelijk te krijgen. Daarbij was het de anderen opgevallen dat jongste broer Charles heel veel plezier aan het harken beleefde.
Ieder jaar, als we aan het begin van het kampeerseizoen onze tenten weer hadden opgezet aan de Koekoekslaan in het Grote Bos, ging Charles aansluitend direct aan de slag met zijn hark. Je moest hem echt tegen zichzelf in bescherming nemen om te voorkomen dat hij een zomervakantie lang aan het harken was en aan het einde ervan het hele bos, groot 80 hectares, netjes had aangeharkt. Overigens zonder daarvoor enige vergoeding van de campingbaas tegemoet te mogen zien. Zodra de Koekoekslaan en wijde omgeving door Charles onder handen waren genomen, greep mijn moeder rücksichtslos in en sloot ze het tuingereedschap op achter slot en grendel. Soms inclusief de kleine harker zelf, die maar geen afstand kon doen van zijn werktuig. Mijn vader liet zo’n harde ingreep altijd over aan mijn moeder, want hijzelf was te zachtmoedig om zo ruw op te treden.
Charles bediende zich trouwens wel vaker van opmerkelijke acties. Hij was namelijk erg verrukt van het geluid van brekend glas en een zwak karakterplekje van hem was zijn ongeduld.
Menigmaal kwam Charles ‘s middags wat later thuis dan Theo en ik. Als hij dan thuis aanbelde, lieten wij hem net zo lang wachten tot hij ongeduldig werd en op de deur begon te rammen. Als je hem dan nog even liet betijen, hetgeen hem dus moeilijk afging, had je een goede kans dat hij spoedig daarna tegen de deur begon te trappen de ruit ervan sneuvelde.
Altijd leuk om mee te maken. Hij kon vreemd genoeg nooit zo sportief omgaan met zulke plagerijtjes.
Ook was broertje Charles één van de eersten in Utrecht die onderdak zocht in een commune.
In de buurt van het oude Centraal Station had zijn groep een statig pand als commune ingericht.
De brievenbus aan de voordeur van dit pand had Charles kunstzinnig gedecoreerd: hij had rond de gleuf van deze bus heel geraffineerd de contouren van een vagina geschilderd. Toch weerhield dit de postbode van dienst niet om de post dagelijks te bestellen op dit adres. Dit mooie stukje kunst ligt waarschijnlijk al heel lang begraven tussen het puin onder de funderingen van het lelijke Hoog Catharijne. Voor dat nieuwe winkelcentrum zijn eind zestiger jaren talloze fraaie oude statige panden in de omgeving van Utrecht CS met de grond gelijk gemaakt.

Op het aldus aangelegde badmintonveldje werd zeer fanatiek gestreden en mijn vader was even gedreven van de partij. Soms waren we de hele dag aan het slaan op dit veldje en het ging er veelal zeer onsportief aan toe. Dit leidde er ook wel eens toe dat niet de shuttle maar het hoofd van de tegenstander met het racket volop geraakt werd.
Slaan op de laatstgenoemde wijze was ook een “sport” waarmee we ons bezig hielden.
Theo en ik hadden nogal eens ruzie en dat werd ‘s avonds in de huiskamer, als vader en moeder op pad waren, op een sportieve wijze uitgevochten.
Pa was ‘s avonds meestal weg om verzekeringen aan de man te brengen en ma was naar haar zangkoor of ze was op bezoek bij één van haar talrijke zusters.
Als het om een gewoon partijtje judo ging, dan werd de huiskamer omgetoverd in een grote judomat en werd de zaak tijdig, voor de wederkomst van de ouders, weer opgeruimd.
Wat meestal niet onopgemerkt bleef was dat alle zogeheten “Heugaveld tapijttegels”, na zo’n avondje stoeien, schots en scheef door de huiskamer verspreid lagen en dat het kleurenpatroon bij verre na niet meer correspondeerde met de oorspronkelijke setting.
Dit bleef natuurlijk niet onopgemerkt voor mijn ouders en dat leidde op zich weer tot enig slagwerk van hun hand.
Zoals ik al zei, Theo en ik hadden wel eens een slaande ruzie en dan ging het er evenmin sportief aan toe.
Omdat ik wist dat Theo nogal zuinig was op zijn kleding en hij makkelijk vatbaar was voor een bloedneus, sloeg ik hem nog wel eens op zijn neus teneinde de strijd zo snel mogelijk in mijn voordeel te beëindigen, tenslotte was hij toch zo’n vijf jaar ouder dan ik.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/