Aflevering 3: Hengelsport

HENGELSPORT
Geschreven door Bert Plomp

Zomer en winter, van ‘s morgens vroeg tot zonsondergang, was ik op straat te vinden. Met een korte onderbreking voor eten en schoolbezoek.
Binnen spelen wilde ik ook wel, maar daar was geen plaats voor. Bovendien was er weinig tot niets te beleven. Mijn vrienden waren immers allemaal buiten.
Als ik al binnenshuis verbleef, werd ik vaak het huis uit gemieterd omdat mijn ouders rust aan hun hoofd wilden hebben.

Om binnen te spelen met wat vriendjes, had je ruimte nodig. In het Napoleonplantsoen kwamen daar weinig huizen voor in aanmerking. De wijk bestond voor het grootste deel uit flatgebouwen. Uit flats met drie tot vier kamers. In zo’n flat je vermaken, hield meestal in dat je, onder scherp toeziend oog van de vrouw des huizes, op de vloer van de huiskamer een klein spelletje kon doen. Spelletjes uit het “Toon Hermans-sinterklaasassortiment”. Derhalve spelletjes als “Hengelsport”, “Hoedje Wip” en “Mens Erg Je Niet”.
Met name Hengelsport was een van de meest geestdodende spelletjes, waaraan je een kind in die dagen kon blootstellen. Bij deze zogenaamde sport werd ieder meespelend kind uitgerust met een hengeltje. Dat hengeltje was niets meer dan een kort bamboestokje met aan het topje een nylon lijntje bevestigd. Aan het einde van het lijntje bengelde een uitermate zwak, hoefijzervormig magneetje.
Gewapend met zo’n droevig hengeltje moest je, tezamen met de andere kinderen, in een soort kartonnen aquarium gaan zitten vissen. Hengelen naar een aantal zich onder in het aquarium bevindende visjes. Die visjes waren eveneens van karton en hadden een ijzeren ringetje door de neus.
Om een visje op te hengelen, bracht het magneetje uitkomst.
Het aquarium was dus niets meer dan een recht opstaande, kartonnen kubus. Zonder bodem en zonder deksel. De zijkanten waren heel subtiel gedecoreerd met afbeeldingen van visjes.
Het competitie-element bestond hieruit, dat het zaak was om zoveel mogelijk visjes op te vissen.
Heel irritant was het, wanneer je eindelijk dacht beet te hebben, dat het geringde beestje halverwege de rand van het aquarium weer terugviel op de bodem. Zuiver en alleen omdat het magneetje het niet langer trok.
Dan maar liever buiten in de frisse lucht hengelen. De Kromme Rijn boot in dat opzicht meer dan genoeg mogelijkheden.

’s Zomers zwommen we in de Kromme Rijn, ’s winters schaatsten we erop. Met schaatsen moest je echter heel voorzichtig zijn, want de rivier werd regelmatig gesluisd. Voordat je er erg in had, stond het ijs onderwater en kwam de ijsvloer in beweging.
Het waren fantastische dagen als er geschaatst kon worden. Na een nacht sneeuwen trok jan en alleman eropuit om met houten sneeuwschuivers een gladde baan te prepareren.
De Prinsenbrug en het viaduct bij Galgenwaard lokten ook uit tot waaghalzerijen. “Wie durft er verder te schaatsen dan ik, op het alsmaar dunner wordende ijs?” was een uitdaging van jewelste.
Als je door het ijs zakte, verkeerde je terstond in levensgevaar. Onder het ijs kon je meegesleurd worden door de stroming en kwam je mogelijk eerst weer bovendrijven ter hoogte van de Tolsteegsingel of in een van de grachten.

Ook toen al was het water van de rivier vervuild. Misschien wel ernstiger dan nu. Het wemelde er van de ratten. Als we ’s zomers gingen zwemmen, lag niet alleen de ziekte van Weil op de loer, op de bodem lag ook allerlei gevaarlijk afval. Oude, afgedankte fietsen, bromfietsen, kinderwagens, auto-onderdelen en andere ijzeren troep. Je kon je ernstig verwonden aan die oude, roestige overblijfselen.
Desondanks, sprongen wij doodgemoedereerd vanaf de Prinsenbrug in het water. Zo nu en dan hadden we zelfs de moed om van de brug af te duiken in die onderwater vuilnisbelt. Vooral bij de brug lagen de meeste afdankertjes op de bodem te wachten op een waaghals.
In het plantsoen deed toen hardnekkig het verhaal de ronde, dat ooit een louche individu, op een avond in het najaar, ongezien een oude kachel over de balie van de brug in het water wilde kieperen en dat hij met kachel en al in het majem verdween. Hij is nooit meer boven komen drijven, ook niet in de buurt van het Ledig Erf. Kennelijk was hij zo verknocht aan zijn oude, gezworen kameraad, die hem onbaatzuchtig zoveel warmte geschonken had, dat hij deze niet meer kon loslaten.
Ofschoon het water van de Kromme Rijn destijds als een linke soep werd aangemerkt, werd er toch gevist.
Zo nu en dan lagen de vissen er gewoon voor het oprapen. Dan was het wateroppervlak bedekt met dode vissen. Vissen die, met hun witte buiken omhoog, een waar doodskleed vormden op de rivier. Dan was er weer eens wat smerigs hogerop in de Kromme Rijn geloosd.

Met een eenvoudig hengeltje, probeerden we op “gezonde” dagen ook weleens een visje te verschalken. Dat lukte echter zelden. Daarom gingen we meestal met een fijnmazig schepnetje aan de slag om stekelbaarsjes te vangen.
Thuis, zwemmend in glazen jampotje, hielden die beestjes het niet veel langer uit dan een paar dagen. Dat was dan weer het einde van de pret.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/