Aflevering 2: Fel gloeiende ogen

FEL GLOEIENDE OGEN
Geschreven door Bert Plomp

Nu staat Ierland van oudsher bekend om bovennatuurlijke zaken. Vreemde gebeurtenissen die er zich door de eeuwen heen hebben voorgedaan. Maar ik neem gewoonlijk deze metafysische voorvallen met een korreltje zout.
Toch hield ik er rekening mee dat ik thans wel eens geconfronteerd zou kunnen worden met iets dat mijn pet te boven ging. “Er is meer tussen hemel en aarde dan wij vermoeden, Horatio”, verzuchtte Hamlet ooit.
“Zou het een klopgeest zijn?”, “Zouden de honden er lucht van hebben gekregen dat hier iets niet in de haak is?” en “Zouden ze er daarom maar het zwijgen toe doen?”. Dat waren vragen die door mijn hoofd flitsten.
Hoe het ook zij, het was tijd om eens poolshoogte te gaan nemen.
Met enigszins knikkende knieën begaf ik mij naar de trap die beneden op de hal uitkomt.

Een beeld uit het verleden spookte door mijn hoofd terwijl ik de trap afdaalde. Het betrof een gebeurtenis tijdens een wintersportvakantie in Oostenrijk. Ook toen werd er heel hard op het raam van mijn hotelkamer gebonkt.
Toen ik het gordijn terzijde schoof, staarde ik tot mijn grote schrik recht in het bebloede gezicht van de vrouw van de hotelier. Zij stond op mijn balkon luid te kermen.
Nadat ik haar binnen had gelaten, vernam ik dat zij slaag had gehad van haar man.
Later hoorde ik dat het huwelijk van beiden in een kritische fase was beland omdat vrouwlief aan de alcohol was geraakt. De reden dat zij het drinken niet kon laten, liet zich raden. De heer des huizes had zich recent verzekerd van een nieuw liefje, een mooie Française. Dit Franse madammeke was als reisleidster in zijn etablissement blijven hangen.

Omdat ik wilde vermijden dat mijn onderzoek naar de klopgeest voortijdig ontdekt zou worden, klikte ik het licht niet aan. Aldus daalde ik op de tast de treden van de trap in het donker af.
Beneden in de hal was het weliswaar nog aardedonker, maar kijkend door de ramen, kon ik buiten toch al het een en ander onderscheiden.
De dubbelglas ramen waren alle gesloten. Hierdoor was het absoluut stil in de hal. Ik liep de ramen een voor een af om te zien wat er zich buiten mogelijk afspeelde.
Er was niets bijzonders te zien, was mijn conclusie. Dat was zeer voorbarig, want terstond werd mijn oordeel gelogenstraft. Opnieuw klonk het geluid van bijna brekend glas elders op de begane grond.
Nu moest ik me via een tussendeur naar de stallen begeven om aldaar de oorzaak van het onheil te achterhalen.
Met toenemende weerzin vervolgde ik mijn tocht door het gebouw.
Acht donkere stallen met een overeenkomstig aantal ramen moest ik checken.

“Heb ik hier soms te maken met een of andere psychopaat?”, vroeg ik me af.
Mijn gedachten gingen terug naar het “Pieter Baan Centrum” aan de Gansstraat in Utrecht. Een psychiatrische observatiekliniek, gelegen aan de Kromme Rijn.
In de buurt van deze instelling hield ik me in mijn jeugd liever niet op. Ik was altijd benauwd dat, terwijl ik daar een voetbal uit het water trachtte te vissen, achter mijn rug een of andere gestoorde moordenaar over de buitenmuur zou klimmen om mij, argeloze jongere, te grazen te nemen.

Nadat ik de tussendeur vrijwel geluidloos had geopend en de stallen een voor een nauwkeurig had geïnspecteerd, kwam ik bij de laatste stal aan.
Omdat ik niets vreemds had gesignaleerd, keerde ik me om teneinde mijn “veilige” rustplaats weer op te zoeken.
Alsof het om een vooropgezet plan ging, werd mijn moed andermaal op de proef gesteld.
Met het gevoel alsof een smeltend ijsklontje, vanuit mijn nek, zich langs mijn ruggengraat een weg omlaag baande, werd ik min of meer gedwongen opnieuw het laatste raam in ogenschouw te nemen.
Toen sloeg de plaaggeest andermaal toe. Op het ultieme moment troffen zijn ogen en de mijne elkaar door het raam. Wijd opengesperde ogen, gloeiend als smeulend houtskool, keken mij uitdagend aan. Zijn diepzwarte tooi had een ijzige, blauw glanzende tint.
Het was een enorme raaf, die mij met een mesmeristische blik diep in de ogen staarde.
Nadat ik de collies naar beneden had gedirigeerd en de buitendeur had open gezet, was het snel gedaan met de nachtelijke onruststoker.
Achtervolgd door de honden, koos hij onder luid gekwetter het luchtruim om dat etmaal niet weder te keren.
Diezelfde dag kwamen Jan en Ingrid logeren.
Na een gezellig avondje bordspelletjes doen, zochten we onze slaapvertrekken op. Voordat zij achter hun slaapkamerdeur verdwenen, deed ik, natuurlijk om hen op hun gemak te stellen, nog even mijn relaas van de vorige nacht.
Het was niet overbodig, want in de vroege ochtend van de volgende dag herhaalde de geschiedenis zich. En wederom gaven de honden niet thuis: zij ruiken gewoon dat het allemaal niets voorstelt.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/