Aflevering 3: Sprokkel

SPROKKEL
Geschreven door Bert Plomp

Toen ik eenmaal getrouwd was, een dochter had en een flat in de wijk Oog in Al in Utrecht had betrokken, bood mijn gezin spoedig onderdak aan een hele reeks dieren.
Te beginnen aan een trio, bestaande uit een konijn, een marmot en een hamster.
Het konijn kreeg ik cadeau van een familielid. Voorzien van de uitdrukkelijke garantie dat het een dwergkonijntje was. Uiteindelijk groeide het beestje uit tot een Vlaamse reus. Van je familie moet je het maar hebben.
De andere twee beestjes werden her en der geadopteerd.
Met vakanties was het wel altijd een gedoe om het hele circus goed verzorgd achter te laten.
Gelukkig was een goede vriendin, die in de buurt woonde, vaak wel bereid om een oogje in het zeil te houden.

Het was dagelijks een ontroerend moment wanneer de dieren van vreugde begonnen te piepen als ik hun eten bereidde. Zodra ik de groente in een soort centrifuge droog draaide, wisten ze dat het diner aanstaande was en waren ze in alle staten.

Toen het gezelschap werd uitgebreid met een katje, was het gedaan met het rustige leventje van het trio.
Het katje zat bij wijze van spelen het konijn steeds tikjes uit te delen op zijn neus. De marmot en de hamster waren evenmin veilig in haar buurt.
Besloten werd de Vlaamse reus onder te brengen bij de plaatselijke kinderboerderij. Daar zou hij ook wat meer bewegingsvrijheid hebben. Meer ruimte hebben om te doen waar hij goed in was: rennen, grote sprongen maken en, als rammelaar, moeren het hof maken.
De andere twee beestjes vonden een liefdevol onderkomen bij vriendinnetjes van mijn dochter.

Het katje kreeg diverse koosnamen. Veelal gerelateerd aan haar doen en laten. Een van die namen was Foetsiebah. Het laat zich raden waarom.
Uiteindelijk werd het Sprokkel. Die naam dankte ze aan het feit dat ze zich tijdens de weekenden in het bos veelal tussen het sprokkelhout schuilhield.

Sprokkel was een echte cyperse kat. Een kat met veel streepjes en evenveel kattenkwaad.
Toen ik nog 4-hoog woonde in Oog in Al, gedroeg zij zich regelmatig als een echte gevelartieste. Ze sprong van balkon naar balkon en bezocht zodoende alle buren over de hele lengte van het flatgebouw.
Regelmatig sliep zij bij naaste buurman Cees. Midden in de nacht merkte Cees dan dat hij zijn sponde weer eens moest delen met Sprokkel.
Ook werd er wel eens mis gesprongen. Met als gevolg dat ze vier etages omlaag stortte en in de achtertuin landde van de buren op de begane grond.
Toen ik een keer in paniek naar beneden keek om te zien wat er van haar was geworden, zag ik haar nog net wegspringen achter een vogel aan. Als je kunt spreken over een kat die negen levens had, dan was het Sprokkel wel.

In het weekend nam ik haar altijd mee naar het huisje in het Grote Bos. Daar was ze helemaal in haar element. Ze was dag en nacht op pad en op jacht.
Als ze het ’s nachts buiten zat was, dan glipte ze via het dakraam op zolder weer naar binnen. Ze plofte dan pardoes op mijn bed aldaar.
Elke lente was ze de schrik van het konijnenvolk. Ze ving jonge konijntjes en at ze zo nu en dan ook op.
Eens, op een lentenacht, werd ik plots wakker omdat ik iets nats aan mijn oor voelde. Toen ik het licht aanklikte, bleek het een dood konijn te zijn. Sprokkel had het dier naar binnen gesleept en naast mijn hoofd op het kussen gedeponeerd. Waarschijnlijk als teken van dank voor alle goede zorgen.

Als ik na het weekend op maandagmorgen in alle vroegte weer naar Utrecht vertrok, dan kostte het altijd veel moeite om Sprokkel te bewegen ook in de auto te stappen.
Ik probeerde haar dan te lokken door met een lepel luid op haar metalen etensbakje te tikken. Wat anders feilloos werkte, had op maandagmorgen geen enkel effect.
Juist wanneer je haast had om weg te komen om files te vermijden, bleef zij onbekommerd, vanuit de struiken, al je verrichtingen gadeslaan. Vlot tevoorschijn komen deed ze dan niet. Vaak moest ik zonder haar vertrekken en kon ik aan het einde van de werkdag weer terug naar Doorn om haar alsnog op te pikken.

Sprokkel was altijd heel energiek. Zelfs toen ik ontdekte dat er iets mis was met haar kaak.
Het was mij opgevallen dat ze al een tijdje erg kwijlde en dat haar tandvlees aan een kant flink was opgezet.
Zonder dat ik daarmee in de verste verte rekening had gehouden, concludeerde mijn dierenarts dat Sprokkel een kwaadaardig gezwel in haar kaak had. Ze stelde mij voor om haar maar gelijk in te laten slapen.
Daar wilde ik op dat moment beslist niet aan. Ik wilde het voorlopig even aan zien. Misschien wel om de betekenis van deze gruwelijke boodschap eerst volledig tot me door te laten dringen.
Het werd er echter niet beter op. Een week later ging ik naar een andere dierenarts. Een arts die gespecialiseerd was in katten. Jammer genoeg stelde hij precies dezelfde diagnose.
De arts vertelde dat het gezwel steeds groter zou worden en uiteindelijk de kaak van Sprokkel zou breken, met alle vreselijke pijn van dien. Ik begreep nu dat er niets anders op zat dan haar leven te beëindigen.

Ik heb Sprokkel begraven op haar favoriete plekje tussen het sprokkelhout, vlak naast het huisje in het bos.
Helaas kan ze me nu niet meer een beetje plagen op een maandagmorgen. Boos maken door niet tevoorschijn te komen als ik met haar bakje rammel. Misschien ligt ze mijn bewegingen bij het huisje nog wel steeds te observeren.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/