Een kelderrat op pad

EEN KELDERRAT OP PAD
Geschreven door Bert Plomp

Midden jaren zestig, toen ik een jaar of zestien was, bezocht ik dagelijks uiteenlopende kelders aan de Utrechtse grachtenwerven. Deze kelders waren ingericht als kroeg of als koffietent en waren zeer populair onder tieners. Vooral onder jongeren die een voorkeur hadden voor moderne muziek. Muziek van The Beatles, The Rolling Stones en andere Britse popmuzikanten. Deze muziek kon je ten gehore laten brengen via een zogeheten jukebox die in vrijwel iedere kelder stond opgesteld.
Die muziekautomaten bevatten toen ook veel soulmuziek van artiesten als Percy Sledge, James Brown en Sam & Dave.
Voor een dubbeltje kon je een van je favoriete plaatjes laten afdraaien. Voor een kwartje kon je drie plaatjes selecteren. Terwijl je zat te luisteren dronk je er voor vijftien cent een bekertje koffie bij.
Kelders die ik in die dagen vaak bezocht waren The Cavern, Sarasani, Catacomben, de Paraplu, de Hoelahut en nog tal van andere, soortgelijke, duistere gewelven.
Op mijn keldertochten werd ik doorgaans vergezeld door een paar andere langharigen. Te weten Fred en Willem van de Adriaen van Ostadelaan.
Als we een avondje op pad waren dan ging het vooral om meisjes te veroveren. Dan betraden we met een zekere, onverschillige blik in de ogen een kelder. Snel checkten we of er genoeg interessante meisjes aanwezig waren en zo ja, of die ons een blik waardig keurden. Zo niet, dan verdwenen wij weer spoorslags in de duisternis.
We keerden vervolgens later op de avond weer terug om een nieuw entree te maken. Een nieuw entree met een wat meer zelfverzekerde uitdrukking op het gelaat. Vaak pakte zo’n hernieuwde binnenkomst gunstig uit. Misschien toonden de meisjes nu meer interesse omdat ze hun knopen hadden geteld. Wellicht gingen ze er thans van uit dat ze het met ons zouden moeten doen. Omdat ze die avond verder geen andere kelderbezoekers meer verwachtten.

In tegenstelling tot andere uitgaansavonden had ik besloten er een keertje alleen op uit te trekken. Ik had het idee dat het wellicht makkelijker zou zijn om contact te leggen met een meisje wanneer ik alleen was. Dat was minder bedreigend.
Die avond had ik mijn zinnen gezet op een bezoek aan Sarasani. Deze werfkelder was gelegen aan de Oude Gracht, op de hoek met de Geertestraat.
Gestoken in mijn favoriete, lange, zwarte, ribfluwelen jas met zwarte bontkraag daalde ik behoedzaam de trap af bij de Geertebrug. Ik was enigszins gespannen, want ik moest het vandaag in mijn eentje zien te klaren.
Beneden aan de werf aangekomen botste ik bij de ingang van de kelder tegen een portier op. De man had zich daar massief opgesteld. Hij had niet alleen het postuur, maar ook de intelligentie van een zware kluisdeur. Althans, zijn vierkante kop straalde een totaal gebrek aan IQ uit.
Nadat dit personage, met een kwaaie blik in zijn ogen, een stapje opzij had gedaan, betrad ik de kelder.
Direct bij de ingang bevond zich de bar. Daar bestelde ik een bekertje koffie. Met de hete koffie in mijn hand begaf ik mij naar de jukebox achter in de kelder.
Na een dubbeltje in de geldgleuf van de jukebox te hebben gestopt wilde ik relaxed achterover gaan zitten om het gekozen plaatje ‘Warm and tender love’ van Percy Sledge te beluisteren. Onderwijl keek ik even rond of er een leuk meisje op mijn muzikale boodschap reageerde.

Zonder dat ik er erg in had was de deurwachter met de gedrongen kop achter mij aan geslopen. Plotseling stond hij achter mij en sommeerde mij mijn jas uit te trekken. Omdat ik daarvan de noodzaak niet inzag, ging ik niet op zijn vriendelijke verzoek in. Het was trouwens winter. In kelders als Sarasani was het zelfs op hete zomerdagen klam en koud. Bovendien maakte mijn mooie, lange jas een belangrijk onderdeel uit van mijn totale act. Dus ik besloot, enigszins geïrriteerd, de portier de portier te laten en me over te geven aan de zoete klanken van Percy Sledge. De helft van ‘Warm and tender love’ was verdorie al passé.
De man met het vierkante hoofd bleef echter aandringen. Om niet moeilijk te doen besloot ik toen mijn populaire jas toch maar uit te trekken.
Terwijl ik me van mijn jas ontdeed en met mijn rug naar de uitsmijter stond gekeerd, begon die valserik als een bezetene op mijn lijf te beuken. Ik kon niets terug doen. Ik kon de stompen zelfs niet afweren omdat mijn armen nog halverwege in de mouwen van mijn geliefde jas staken.
Toen ik de weg naar de uitgang zocht, haakte de bruut mij. Voor de bar viel ik op de grond. Alsof het nog niet genoeg was geweest, trapte de lafaard me ook nog eens een aantal malen voluit in mijn gezicht. De eigenaar van de bar en andere aanwezigen durfden geen hand uit te steken om mij te hulp te schieten.
Zo goed en zo kwaad als het ging, wist ik mijn lijf uiteindelijk naar buiten te werken. Half bewusteloos bleef ik daar een poosje aan de rand van de gracht liggen. Toen ik weer een beetje bij kennis was, richtte ik me op.
Eenmaal op mijn benen, scheelde het maar een haar of ik was voorover in het water gedonderd. Gelukkig waren er twee meisjes naar buiten komen rennen om te zien hoe het mij verging. Zij vingen mij op zodat ik niet in de gracht verdween.
Tussen hen in hangend, met mijn armen om hun schouders geklemd, ging ik strompelend op weg naar politiebureau Tolsteeg om aangifte te doen.
Menig passant moet gedacht hebben dat ik straalbezopen was. Zozeer zwalkte ik van links naar rechts over straat.

De gewelddadige portier werd direct na mijn aangifte opgepakt. Toen hij voor de rechter verscheen voerde zijn advocaat nog verzachtende omstandigheden voor hem aan. Hij was eerder op de bewuste avond door een tweetal mafkezen levensgevaarlijk aangevallen. Het moorddadige stel had een stuk stoeprand vanaf de brug naar beneden op de werf gesmeten met het onzalige doel de portier te treffen en voorgoed het zwijgen op te leggen. Een van de twee had lang haar en droeg een lange, zwarte jas.
Ik kende die jongens vaag. Zij kwamen uit Wijk-C en waren echte boeven. De knaap met het lange haar had donkere pijpenkrullen en droeg altijd een flinke klauwhamer op zak. Zijn kompaan in het kwaad had een gluiperige kop en was kaal.
Ondanks de verzachtende omstandigheden verdween de brute portier voor een aantal maanden achter de tralies.

Tja, de een zijn geluk is de ander zijn ongeluk. Indien de portier was getroffen door het stuk stoeprand dan had ik, rustig genietend van een lekker bakkie hete koffie, ‘Warm and tender love’ helemaal uit kunnen luisteren en had ik ongeschonden huiswaarts kunnen keren. Daar stond wel tegenover dat ik dan waarschijnlijk niet, ondersteund door twee lieve, bezorgde meisjes, door de stad had kunnen struinen.

EINDE

Voor alle verhalen klik op: Verhalen

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina: