Aflevering 2: Kantje boord

KANTJE BOORD
Geschreven door Bert Plomp

Een leuk voorval uit die periode was dat we aan het begin van een zomervakantie ons aan de Joegoslavische grens in de buurt van Triest vertoonden en de roodharige partner van mijn toenmalige zwager, gezeten achter het stuur van haar automobiel, van de Joegoslavische grensbewaker bij het passeren van de grens te horen kreeg: “Pass bitte”. Deze temparamentvolle vrouw verstond echter “Gas bitte” en gaf zonder verder te dralen vol gas. Direct hierop sprongen uit allerlei douanehokjes mannen met machinegeweren in de aanslag naar buiten om de roodharige tot stilstand te dwingen. Gelukkig bereikten we ook deze maal zonder schotwonden onze camping.
Een minder leuk voorval, voor mij althans, vond plaats op een van mijn tochtjes op de windsurfplank.
Een aantal kilometers uit de kust van onze camping lag een eiland. Iedere dag deed ik met een paar andere jongens een rondje om het eiland op de surfplank. Dat nam pakweg een goed uur in beslag.
De desbetreffende dag ging ik eens alleen op weg en eenmaal achter het eiland aangekomen, brak er een hevige onweersbui los, waar ik vervolgens middenin verzeild raakte. Nu is het zo, dat als het in Joegoslavië begint te onweren, het altijd gelijk goed raak is.
In dit hevige noodweer lukte het me niet de plank richting kust te sturen: er waaide ineens een zeer sterke aflandige wind en te midden van die onweersstorm leek de wind ook nog eens van alle kanten tegelijk te komen.
Ik raakte zodoende, in de verkeerde richting, steeds verder af van de kust van het eiland en al helemaal uit het zicht van de veilige camping, alwaar mijn vrouw en dochter, zich van geen onheil bewust, waarschijnlijk een boekje lagen te lezen.
Daar stond ik dan op mijn plank, in m’n nakie, onzeker waar aan land te komen, onzeker überhaupt nog vaste grond onder mijn voeten te krijgen.
Inmiddels manoeuvreerde ik met mijn plank tussen het geregeld vrachtverkeer op de Adriatische Zee. Hierdoor werd de golfslag alleen maar hoger en de zeilplank moeilijker te beheersen. Beseffende dat er in dat gebied haaien rondzwemmen, maakte dat de gehele situatie er niet vrolijker op. Voor mij alle reden om eens goed na te denken over hoe het met mijn overlevingskansen stond en over de hoogte van het weduwen- en wezenpensioen voor hen die ik mogelijk aanstonds achter zou laten. Omdat ik redelijk goed overweg kan met het maken van zulke inschattingen, kon ik me vrij vlot weer concentreren op wat mij nu te doen stond.
Inmiddels was ik maar op de plank gaan liggen, want je raakt op een gegeven moment volledig uitgeput.
Toen zag ik plotseling een zeewaardig plezierjacht opdoemen. Al zwaaiend met mijn armen en de longen uit mijn lijf schreeuwend, kon ik de aandacht van de opvarenden op mij vestigen en de stuurman van het schip zette koers naar mijn zeilplank. Niet lang daarna kon ik met plank en al veilig aan boord klimmen.
Het was natuurlijk wel een beetje gênant om je bloot tussen de opvarenden te moeten begeven. Gelukkig was de vrouw van de stuurman, een blonde atletisch gebouwde vrouw van Germaanse komaf, na enige aarzeling genegen mij een badlaken te overhandigen. Ofschoon zij aanvankelijk, onder het aanreiken van dit badlaken, mij recht in de ogen keek, merkte ik dat haar ogen over mijn borstkas dromerig afdwaalden naar mijn onderlichaam en daar bleven rusten tot het moment dat ik langzaam het badlaken om me heen sloeg, waarna zij snel  overging tot de orde van de dag en positie koos naast haar stuurman.
Ook deze keer bracht ik het er levend van af, maar het was wel “kantje boord”.
Het leuke in zo’n communistisch land van weleer was altijd de bevoorrading van winkels, zoals de supermarkt op onze camping.
De ene dag stond de winkel vol met het een en absoluut niets van het ander en een aantal dagen later was het omgekeerde het geval. Brood en melk waren altijd in overvloed voorradig. Het kon soms dagen duren dat er geen druppel Cola te verkrijgen was op de camping en dan opeens was de hele winkel afgeladen met grote flessen Cola.
Er was nooit een tekort aan vleeswaren, maar vaak, eenmaal bij de tent aangekomen en gereed om bijvoorbeeld wat spek te bakken, kwam het voor, tot grote schrik van mijn medekampeerders, dat er maden uit het stuk spek kropen. Omdat ik van huis uit wel het een en ander gewend was, maakte ik daar nooit zo veel ophef over: Ik stelde simpelweg vast waar de maden zich aan het oppervlak manifesteerden, sneed dat stuk weg en deed de rest tezamen met een lekker eitje in de pan, dit tot afschuw van de anderen.
Waar we in Joegoslavië ook altijd van genoten, dat was van de geweldige volksdansavonden in de openlucht met die opzwepende muziek erbij. Toen pas begreep ik wat mijn oudere broer Theo bewoog om koste wat het kost deel uit te willen maken van de “Boshoppers”, die volksdansgroep op camping Het Grote Bos. Maar terstond ook weer niet. Toen ik die felle donkerbruingetinte meiden met hun ravenzwarte haren, met hun sensuele acrobatische toeren, in een razend tempo zag voortbewegen, dacht ik dat is toch wel van een heel ander kaliber. Met die dansers vergeleken, zijn de Boshoppers, en in het bijzonder Theo’s vaste danspartner “bleke Bets”, een stelletje Hollandse houten klazen.
Op de terugweg van Joegoslavië naar Nederland deden we ook altijd Oostenrijk nog een weekje aan. Dan gingen we gletsjer-skiën in Kaprun. Op de dakdrager van onze auto vervoerden we op zo’n zomervakantie daarom niet alleen de surfplanken, maar ook nog drie paar ski’s. Als toenmalig “showmannetje” vond ik dat best wel een stoer gezicht.
Dagelijks gingen we ‘s morgens skiën tot het te warm werd op de gletsjer en gingen we ‘s middags windsurfen op de Zeller See. Het skiën deed ik in een wit sportbroekje en ontbloot bovenlijf. Dat stak lekker af, dat donkerbruine lichaam tegen het wit van de kleding en de sneeuw. De rest van het gezin was verstandiger en had zich niet alleen warmer maar ook beschermender gekleed. Ook op een gletsjer in de zomer kun je namelijk flink onderuitgaan en als je dan slechts gekleed bent in een sportbroekje, dan laat je dat wel een volgend keer.
Op de gletsjer in Kaprun loopt een aantal paden dwars over de piste. Om weer eens leuk te willen doen, had ik een keer bedacht dat, zodra vrouw en dochter via een lagergelegen pad zouden passeren, ik met een flinke sprong over hun hoofden heen zou kunnen vliegen om dan iets lager op de piste weer te landen.
Helaas had ik mij verrekend. Al suizend door de lucht en Tarzan-achtige kreten slakend, zag ik dat ik het laatste pad reeds gepasseerd was en een klein ravijn indook.
Ook nu niets gebroken, althans geen botten, maar de ski’s waren wel ingekort tot mini-ski’s.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/