Aflevering 2: Kantje boord

KANTJE BOORD
Geschreven door Bert Plomp

Een leuk voorval uit de tijd dat we de zomervakanties jaarlijks in Joegoslavië doorbrachten, vond ooit plaats aan de Joegoslavische grens. Op een uurtje rijden afstand van de Italiaanse havenstad Triest.
Die vakantie werden we vergezeld door mijn zwager Simon en zijn roodharige vrouw Lucie. Een temparamentvolle vrouw die erom bekend stond nogal eens fel uit de hoek te willen komen.
Toen we bij de grens arriveerden, reed Lucie, gezeten achter het stuur, als eerste op het douanekantoortje af. Vanuit het kantoortje werd haar tamelijk nors “Pass bitte” toegeroepen. Terwijl Simon de paspoorten opdook, gaf zijn vrouw echter vol gas en scheurde ervandoor. Zij had namelijk “Gas bitte” verstaan.
Direct hierop sprongen uit verscheidene grensgebouwtjes mannen met geweren in de aanslag naar buiten om de roodharige tot stoppen te dwingen. Gelukkig bracht Lucie tijdig haar voertuig tot stilstand en konden we zonder schotwonden de camping bereiken.

Tijdens dezelfde vakantie ontsnapte ik aan de verdrinkingsdood op een van mijn tochtjes met de windsurfplank.
Een aantal kilometers uit de kust van de camping lag een eilandje. Iedere dag deed ik met een paar jongens een rondje eromheen. Heen en terug was dat pakweg een goed uur surfen met de plank.
Op de bewuste dag besloot ik een keertje alleen op pad te gaan. Het weer zag er goed uit en er stond een matig briesje. Eenmaal achter het eiland verzeild geraakt, begon het snel te betrekken en wakkerde wind stevig aan. In een ommezien brak er een hevig onweer los. Staande op mijn plank, zag ik de bliksemschichten om me heen vliegen. De vooruitzichten waren niet rooskleurig, want als het in Joegoslavië begint te onweren, dan is het altijd gelijk goed raak.
In hevig noodweer lukte het me niet langer mijn surfplank richting kust te dirigeren. Er waaide plots een zeer sterke, aflandige wind. Te midden van de onweersstorm kwamen de windvlagen van alle kanten tegelijk. Wat ik ook probeerde, ik raakte steeds verder van de kust verwijderd en volledig uit het zicht van de camping. De veilige camping, alwaar mijn dierbaren, zich van geen onheil bewust, waarschijnlijk een boekje lagen te lezen.

Daar stond ik nu in m’n nakie, wiebelend op een plank midden op het woeste water. Onzeker waar aan land te komen, onzeker überhaupt nog vaste grond onder mijn voeten te krijgen.
Inmiddels manoeuvreerde ik tussen het vrachtverkeer op de Adriatische Zee, waardoor de golfslag nog hoger en de zeilplank nog moeilijker te beheersen werd. Wetende dat er in dat gebied haaien voorkomen, werd mijn stemming er niet vrolijker op. De benarde situatie gaf mij genoeg reden om eens te gaan nadenken over mijn overlevingskansen. Over de hoogte van het weduwen- en wezenpensioen voor mijn nabestaanden. Omdat ik met het maken van zulke calculaties mijn dagelijkse brood verdiende, kon ik me weer vrij vlot richten op de actualiteit. Op wat mij thans te doen stond.
Om te beginnen ging ik op de plank liggen, want ik raakte op een gegeven moment volledig uitgeput.
Plots zag ik een plezierjacht opdoemen. Zwaaiend met mijn armen en de longen uit mijn lijf schreeuwend, kon ik de aandacht van de opvarenden trekken. Ik zag dat de stuurman zijn schip koers zette naar mijn zeilplank. Een paar minuten later kon ik met plank en al veilig aan boord klimmen.

Het was natuurlijk wel een beetje gênant om bloot aan boord te gaan. Gelukkig bood de vrouw van de stuurman, een blonde, atletisch gebouwde vrouw van Germaanse komaf, na enig treuzelen mij een badlaken aan. Ofschoon zij mij aanvankelijk, onder het aanreiken van het badlaken, recht in de ogen keek, merkte ik dat haar blik over mijn borstkas dromerig afdaalde naar mijn onderlichaam en daar bleef rusten tot ik langzaam het badlaken om me heen sloeg. Hierna ging zij snel over tot de orde van de dag en koos positie naast haar stuurman.
Ook dit keer bracht ik het er levend van af, maar het was wel “kantje boord”.

Het “leuke” van communistische landen van weleer, was altijd de bevoorrading van winkels, zoals de supermarkt op onze camping.
De ene dag stond de winkel afgeladen met een bepaald product en was er bijna niets anders te krijgen. De volgende dag was het weer een ander product dat de overhand had in de schappen. Soms was er dagenlang geen druppel Cola te verkrijgen. Vervolgens staan de kratten Cola tot aan het plafond gestapeld. Brood en melk waren er altijd in overvloed en er was nooit een tekort aan vleeswaren. Maar al te vaak kwam het voor, eenmaal na het winkelen bij de tent aangekomen en gereed om wat eieren met spek te bakken, dat er maden uit het stuk vlees kropen. Tot grote schrik van mijn medekampeerders.
Omdat ik van huis uit wel wat gewend was, maakte ik daar nooit zo’n punt van. Ik sneed dat stukje spek gewoon weg en deed de rest, tezamen met de eitjes, in de koekenpan. Dit tot afschuw van de anderen.

Waar ik in Joegoslavië ook altijd van genoot, was van volksdansfestijnen in de zwoele avondlucht. Traditionele groepsdansen met opzwepende muziek. Bij zulke gelegenheden begreep ik eerst, wat mijn oudere broer Theo bezielde om koste wat het kost deel te willen uitmaken van de Boshoppers. Van de volksdansgroep, die vroeger op camping Het Grote Bos furore maakte. Maar eigenlijk ook weer niet. Want zodra ik die felle, donkerbruingetinte, sensuele meiden met hun ravenzwarte haren, in een razend tempo zag bewegen, dacht ik: Daar kunnen Theo’s hoppertjes toch echt niet aan tippen. Vergeleken met die vurige jongens en meisjes uit de Balkan, zijn die Boshoppers maar een stelletje houten klazen. Dat gold in het bijzonder voor Theo’s vaste danspartner, ene “bleke Bets”.

Op de terugweg naar Nederland, deden we ook altijd Oostenrijk aan. Dan gingen we nog een weekje gletsjer-skiën in Kaprun.
Op de imperiaal van de auto, vervoerden we daarom niet alleen surfplanken, maar ook nog drie paar ski’s. Dat vond ik toentertijd best wel stoer staan.
‘s Morgens was het skiën, tot het te warm werd op de gletsjer, en ‘s middags was het windsurfen op de Zeller See.
Het skiën deed ik in een wit sportbroekje en met ontbloot bovenlijf. Dat stak lekker fel af, het donkerbruine lichaam tegen de witte kleding en de sneeuw.
De rest van het gezin was verstandiger en had zich niet alleen warmer maar ook beter beschermend gekleed. Ook op een gletsjer kun je in de zomer flink onderuitgaan. Als je dan minimaal gekleed bent, dan laat je dat een volgend keer wel.
In Kaprun loopt een aantal paden dwars over de piste. Om stoer te doen, had ik een keer bedacht dat, zodra vrouw en dochter een lagergelegen pad zouden kruisen, ik met een flinke sprong over hun hoofden zou vliegen om aansluitend, wat lager op de piste, weer te landen.
Helaas had ik mij enigszins verrekend. Al suizend door de lucht en Tarzan-achtige kreten slakend, zag ik dat ik het laatste pad reeds was gepasseerd en een ravijntje indook.
Ook nu niets gebroken, althans geen botten. Mijn ski’s waren na de harde landing wel gereduceerd tot mini-ski’s.

EINDE

Voor alle afleveringen klik op: Mooi bloot is niet lelijk

Voor meer gratis verhalen, gedichten en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/