De corrigerende tik

DE CORRIGERENDE TIK

In mijn jeugd in de jaren zestig van de vorige eeuw werkten wij jongeren er hard aan om de macht van onze ouders, van de schoolleiding, van de politie, van de overheid en van wie dan ook die gezag uitoefende over ons, drastisch in te perken.
Die strijd ging gepaard met het ontvangen van veel slaag.
Indien je als jongere in die dagen je ook maar enigszins verzette tegen de heersende autoriteit of slechts iets ter discussie durfde te stellen, dan kon je rekenen op een flinke afranseling.
Indien je om zo’n reden elders al klappen had ontvangen, dan kon je thuis daarover maar beter zwijgen want anders kreeg je thuis “de veilige haven” er ook nog eens flink van langs.
Omdat ik van jongs af aan reeds de grenzen van het gezag opzocht, heb ik in mijn jeugd heel wat corrigerende tikken moeten verduren. Vanaf de kleuterschool tot aan het einde van het voortgezet onderwijs heeft mijn hoofd een lawine van klappen geïncasseerd en is er herhaaldelijk, doch zonder succes, gepoogd de oren van mijn hoofd te scheiden.
Hoe anders is het tegenwoordig.
Als je bijvoorbeeld als politieagent binnen gewelddadige omstandigheden moet ingrijpen dan moet je in een fractie van een seconde alle pro’s en contra’s van de te nemen stappen foutloos tegen elkaar afwegen want anders kun je er verzekerd van zijn dat je juridisch keihard wordt aangepakt en mogelijk uit je functie wordt gezet.
De tegenpartij in zo’n situatie is veelal helemaal niet bezig met welke afweging dan ook, maar is er zich wel van bewust dat hij kan rekenen op bijstand van de beste advocaten en sympathie van de rechterlijke macht bij het vaststellen van een straf wanneer het misgaat.
Vaak staat de misdadiger in kwestie nog dezelfde dag weer vrij op straat, krijgt hij een werkstraf of is hij ver binnen het verlopen van de straftermijn weer vrij man omdat hij zich binnen de “veilige muren” van het gevang zo “voorbeeldig” gedragen heeft.
Militairen in een oorlogssituatie moeten tegenwoordig ook uiterst voorzichtig manoeuvreren, anders is hen eenzelfde lot beschoren.
Als je heden ten dage als onderwijzer maar naar een kind wijst op school, dan kun je bijna rekenen op een bezoek van een ouder die jou een corrigerende tik komt uitdelen.
Zelfs als arts moet je nu heel voorzichtig zijn bij het vaststellen van een diagnose – hetgeen natuurlijk goed is -, maar dat je er rekening mee moet houden dat je in elkaar geramd wordt omdat de uitslag de patiënt of zijn familie niet welgevallig is, dat is toch de waanzin ten top. Voor ambulancepersoneel en brandweerlieden geldt hetzelfde.
Laten we dan maar liever weer terugkeren naar de corrigerende tik, misschien niet zo hevig als toentertijd maar wel een “tikje” indien “een goed gesprekje” niet helpt.
Om weer terug te keren naar hoe het vroeger bij ons thuis toeging, eerst even de samenstelling van ons gezinnetje: Bij mijn geboorte was mijn moeder 33 en mijn vader 31 jaar oud. Mijn oudste broer Theo was toen 4 jaar oud. Mijn jongere broer Charles werd geboren toen mijn ouders respectievelijk 36 en 34 jaar oud waren en ze waren nog eens 5 jaar ouder toen mijn zus Saskia het levenslicht zag.
Mijn ouders waren derhalve wel aan de late kant met het leggen van hun hoeksteentje van de samenleving. De tweede wereldoorlog en hun betrekking bij het Leger Des Heils zullen een vroege start wel in de weg hebben gestaan. Voor zover ik dat objectief over mijzelf kan zeggen, heb ik er geen hinderlijke afwijkingen aan overgehouden.
In opvoedkundig perspectief kun je naar de maatstaven van vandaag de dag bepaald niet zeggen dat mijn ouders me hebben opgevoed. Ik kan dus bijvoorbeeld niet zeggen of ze ouderwets of modern waren in hun opvoeding: er was simpelweg geen opvoeding.
Pas op latere leeftijd, toen ik een tiener was, kon ik dat enigszins toetsen en dan nog kan ik alleen zeggen dat ze “modern” waren geworden omdat ze niet anders konden dan met de ontwikkeling van hun kroost mee te gaan. De maatschappelijke veranderingen waaraan met name Charles en ik volop meededen, konden ze gewoonweg niet tegenhouden, hoe graag ze dat ook wilden.
Hoewel mijn ouders zich aanvankelijk hevig verzetten tegen welke verandering dan ook, verlegden wij gewoon voortdurend onze en dientengevolge hun grenzen. Uiteindelijk gaven mijn ouders hun verzet op en keken ze nadien veel gemakkelijker aan tegen de ontwikkelingen die zich binnen hun – aanvankelijk nog christelijke – gezinnetje voltrokken. Onder de druk van de wijzigende omstandigheden kregen mijn ouders in zekere zin dus moderne opvattingen.
Mijn ouders beperkten het grootbrengen van hun kinderen tot het bieden van een onderdak en eten: ze boden ons een soort “bed and breakfast”. Bovendien kreeg ieder kind de gelegenheid om naar school te gaan. Zo simpel moet hun doelstelling ongeveer zijn geweest. Ze vonden dat mooi genoeg. In die dagen, vlak na de oorlog, zal het bij vele andere gezinnen trouwens niet echt anders zijn geweest.
Aldus kregen we verder geen enkele begeleiding bij wat dan ook. Niet bij huiswerk, niet bij problemen op school, niet bij problemen met andere kinderen of met wie dan ook. Je moest alles maar zelf zien uit te zoeken.
Seksuele voorlichting was al helemaal uit den boze. Dat had deels te maken met schaamte en met hun overdreven christelijke achtergrond, die wellicht de oorzaak van al die schaamte was. Niet dat ik daar bepaald op zat te wachten, maar mijn ouders heb ik noch apart noch samen ooit naakt gezien. Laat staan dat ik heb gezien dat ze iets seksueels met elkaar hadden.
Toen ik 8 jaar oud was en mijn zus werd geboren, had ik werkelijk geen flauw idee waar dat meisje ineens vandaan werd getoverd en wat ze in onze toch al overbevolkte flat kwam zoeken: zo’n geweldige accommodatie was het toch niet. Er werd ook een heel geheimzinnige voorstelling opgevoerd om haar aanwezigheid ineens te verklaren.
Zoals gezegd, je moest alles maar zelf uitzoeken. Als je gepest werd op school of waar dan ook, er was geen troost of ondersteuning thuis te verwachten. Het ging zelfs soms zover dat juist tegenovergesteld gereageerd werd: Op school werd ik vroeger regelmatig gepest omdat ik destijds nogal langzaam – sloom – praatte. Als ik na zo’n pesterij thuis daarover sprak dan werd ik door mijn ouders daarmee ook nog eens negatief geconfronteerd, zelfs geplaagd.
Verder was het sowieso regel dat als je ergens terecht of onterecht voor op je donder had gekregen, dan kreeg je thuis er ook nog eens van langs.
Als je eens pijn had of ziek was, dan was er niet de warme zorg, die tegenwoordig zo overmatig aanwezig is. Hoewel, de zogenaamde warmte waarmee thans zo geschermd wordt, daarbij kun je ook je vraagtekens plaatsen.
Slechts één keer kan ik me herinneren, toen ik vier of vijf jaar oud was en last had van hevige buikkrampen, dat mijn moeder mijn buik wreef om de pijn te verzachten.
Het positieve van zo’n opstelling van je ouders is wel dat je snel leert je mannetje te staan. Dat je leert om het in je eentje tegen de rest op te nemen. Of zoals in mijn geval op de lagere school: indien je door een groep gepest wordt, “gewoon” degene die de anderen opjut op z’n bek slaan of anderszins een toontje lager laten zingen.
Als ik in die dagen iets deed wat niet in de haak was, en dat was al snel het geval, dan kreeg ik een lel om mijn oren van mijn vader of een klap met de wandelstok van mijn moeder – omdat ze haar eigen handen geen pijn wilde doen.
Vaak merk je dat kinderen om de ene reden liever naar hun vader gaan en om de andere reden liever bij hun moeder aankloppen. Bij ons had het geen enkele zin om bij wie dan ook aan te kloppen: in het geval er iets niet in orde was, draaide het vrijwel altijd uit op extra slaag. Dat was in ieder geval een duidelijke stellingname, zullen mijn ouders wel gedacht hebben. In hun eigen jeugd zal het vast nog wel een graadje erger zijn geweest.
Al met al heb ik toch een ontzettend leuke jeugd gehad en heb ik later een plezierig contact met mijn moeder gekregen. Omdat mijn vader reeds jong overleed – toen ik 27 jaar was -, heb ik niet echt de gelegenheid gehad hem beter te leren kennen. Wat ik me, ondanks alle geïncasseerde klappen, wel van hem herinner is dat hij van nature een zachtmoedige man was, die uitsluitend weleens een mep uitdeelde omdat mijn moeder hem daartoe dreef.
Qua uiterlijk lijk ik wat meer op mijn vader – uitgezonderd zijn weelderige haardos. Mijn haar neigt meer naar dat van mijn moeder: sluik haar ook wel als “melkboerenhondenhaar” aangeduid. Qua karakter heb ik van beiden wat meegekregen. De “no nonsens” houding en de eigenwijsheid heb ik vast van mijn moeder en haar ouders geërfd. Het sportieve en wat zachtmoedige – hoewel – karakter van mijn vader.
Wat ik echt heb overgehouden aan de opvoeding van mijn ouders is de slogan: “Doe maar gewoon dan doe je gek genoeg”. Echt een slogan van de familie van mijn moeder en eigenlijk in die dagen en zelfs ook nu nog een breed gedragen opvatting in Nederland.
Indirect hebben mijn ouders er vooral toe bijgedragen dat ik al heel vroeg zelfstandig was en mijn eigen weg ging in de maatschappij en dat ik me vrij makkelijk in welk gezelschap dan ook kan bewegen en me niet snel laat imponeren.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:
https://www.facebook.com/groups/377554749281077/