Aflevering 2: De jacht is begonnen

DE JACHT IS BEGONNEN
Geschreven door Bert Plomp

Nog voordat het bergpad zich aandiende, kwamen we bij een plek waar ik de dag ervoor meende een hond te horen kermen. Ergens in de bergwand, hoorde ik toen een jammerend geluid. Het klonk heel anders dan dat van de vermeende drenkeling.
Ik dacht dat er op een rand in de steile helling een hond zat die geen kant meer uit kon. Samen met Nikos hield ik halt. Ik was benieuwd of mijn kameraad daar wel iets bespeurde wat niet in de haak was.
Ik wees naar boven. De hond volgde belangstellend mijn vinger, maar gaf geen sjoege. Het was er doodstil. Slechts wat grote, zwarte kraaien cirkelden wat rond boven de spelonken in het massief.
Er zat dus niets anders op dan onze tocht maar voort te zetten. Iets verderop haalden we gelukkig zonder kleerscheuren het bergpad.

Nu was het moment van klimmen aangebroken. Klimmen in de schaduw van de bergen. Mijn maatje zag daar ook wel de voordelen van in. Het was in een klap vijftien graden koeler en weg was die oogverblindende zonneschijn.
Toen Nikos hier en daar op het pad ook nog wat lekkende, plastiek irrigatiebuizen aantrof, waar hij naar believen zijn dorst kon lessen, was hij helemaal in zijn nopjes.
Echter een nieuw gevaar diende zich aan.

Op een vorig rondje in de bergen, had ik reeds een man met een geweer aan zijn schouder zien heen en weren. Ik moet altijd weinig hebben van mannen met geweren. Al helemaal wanneer ze mijn pad kruisen. Een ongeluk schuilt altijd in een klein loopje. Het is ook altijd maar afwachten of het gewapende individu niet een of andere krankzinnige is.
Vandaag zag ik echter alom mannen in gele hesjes rondstruinen. Ze waren allen vergezeld van honden en uitgerust met een geweer. Het jachtseizoen was kennelijk al geopend.
Ik zag ze boven mij, tussen de struiken door, over de rotsen klauteren en, diep beneden mij, voorzichtig voortbewegen door de olijfboomgaarden.
Hoewel de afstand tussen de jagers en mij aanzienlijk was, meende ik een afkeurende blik op hun gemene tronie waar te nemen.
Toen Nikos en ik op een gegeven moment een scherpe bocht naar rechts maakten, stonden we plotseling oog in oog met een van de jagers.
Gestoken in een fel gekleurd geel hesje en met een indrukwekkend arsenaal munitie om zijn gordel gesnoerd, torste hij een zwaar kaliber geschut aan zijn schouder. Als je zoiets op een verlaten plek in de bergen tegen het lijf loopt, schrik je toch even.
Gelukkig richtte de man terstond de loop van zijn geweer in de lucht, ten teken dat hij niet direct de aanval zocht.
Ik begroette de man in het Engels en vroeg hem of het jachtseizoen dit jaar soms eerder van start was gegaan. Hij beantwoordde die vraag met te zeggen dat er tegenwoordig eerder in het seizoen op vogels gejaagd mocht worden.
Hij had het nog niet gezegd of ik hoorde vanuit het dal het vreemde geluid dat ik daags ervoor ook had gehoord. Toen ik dacht dat het een hond in nood betrof.
Nu bleek dat het de jagers waren die dit geluid voortbrachten. Kennelijk met het doel bepaalde vogels te lokken om ze vervolgens neer te knallen.
De jager vroeg mij of ik de eigenaar van de labrador was. Ik dacht nu moet ik goed op mijn tellen passen. Als ik hem zou zeggen dat ik niet zijn baasje was en ook niet wist waar de hond vandaan kwam, dan zou hij, of een van zijn schietgrage kameraden, mijn hardloopmaatje misschien wel willen afschieten. Zulke jagende natuurliefhebbers houden er in de regel niet van indien ze worden afgeleid gedurende hun jacht. Storende mensen zullen ze niet gauw omleggen. Met een lastige hond hebben ze toch minder consideratie.
Tja, als het op liefde voor dieren aankomt op Kreta, dan weet ik nog wel wat verbeterpuntjes.
Ik antwoordde de jager dat het de hond van de eigenaar van mijn appartement in Mirtos was. Dat het beestje spontaan achter mij aan was komen huppelen.
Om nog meer indruk te maken, overwoog ik zelfs te zeggen dat het de hond van de burgemeester van het dorp was. Maar ik bedacht bijtijds dat Nikos dat misschien wel teveel eer zou vinden. Dat hij met zo’n reactie mogelijk in verlegenheid zou worden gebracht en door de mand zou vallen.
Ik wenste er daarom verder geen woorden aan vuil te maken. Ik groette de jager en zette, samen met Nikos, de tocht voort.
Omdat we aansluitend niet werden nagezeten door fluitende kogels, nam ik aan dat de jager genoegen had genomen met mijn uitleg.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/