Aflevering 3: Je komt maar naar huis lopen

JE KOMT MAAR NAAR HUIS LOPEN
Geschreven door Bert Plomp

Na de Solex-periode brak er thuis een periode van enige welvaart aan. Mijn vader en moeder hadden met hun bijbaantjes genoeg geld gespaard om hun eerste automobiel aan te schaffen.
De sigarenboer in het Lodewijk Napoleonplantsoen was een gewiekste zakenman. Hij had niet alleen een mooi assortiment aan allerlei rookwaren maar ook een goede neus, niet zijnde een loopneus, voor timing. Hij wist exact wanneer het tijd was om een geliefde auto van de hand te doen aan bijvoorbeeld een eenvoudige verzekeringsagent als mijn vader.
Mijn vader heeft tweemaal een automobiel van deze zakenman overgenomen. Beide keren ging het voertuig niet echt lang mee.
Het eerste exemplaar was een rode Opel Record, het tweede een Ford.
Met in het bijzonder de eerste auto had ik slechte ervaringen. Ieder weekend, als de karavaan koers wilde zetten richting camping, liet de verdomde motor van het vehikel het afweten. Samen met mijn broers, moest ik die kar tot bijna halverwege Bunnik duwen, eer de motor eindelijk eens wilde aanslaan. Onderwijl zaten vader, moeder en mijn zuster prinsheerlijk op het pluche van de autozittingen. Met enig leedvermaak in hun ogen, tuurden beide dames door de achterruit naar de zwoegers achter de auto.
Het mag een wonder heten dat een van de aanduwers nooit op het asfalt achterbleef met een hartstilstand. De reis terug verliep ook zelden zonder problemen.
Samen met twee goede vrienden van mij, te weten Fred en Willem Oudbier van de Adriaen van Ostadelaan, ging ik als 17-jarige regelmatig uit in Driebergen. We bezochten dan veelal de “Prins van Oranje”.
De Prins was in die tijd een café annex dancing, waar in het weekend allerlei bandjes optraden.
Als stadse jongens konden we altijd wel rekenen op aandacht van aantrekkelijke lokale meisjes. Die aandacht voor ons viel vaak niet in goede aarde bij de plaatselijke jongemannen. Regelmatig leidde dat tot een agressieve houding jegens ons.
Als de avond ten einde liep, moesten we maken dat we precies op tijd de Prins verlieten en de bushalte aan de overkant van de dancing bereikten. Zodat we direct de arriverende bus in konden glippen en knokpartijen met deze woedende jongeren wisten te vermijden.
Veelal bleef de woede-uitbarsting beperkt tot wat gebonk met de vuisten op de ramen van de bus.
Fred en Willem werkten allebei, terwijl ik nog op school zat. Zij beschikten altijd over voldoende geld om zich puik te kleden en om uit te gaan. Ik moest het met het geld van een krantenwijkje wat rustiger aan doen. Desalniettemin kon ik me net als de broers de aanschaf van een wit pak van spijkerstof veroorloven.
Toen we weer eens de Prins wilden aandoen, namen we de trein naar Driebergen en lieten we ons als een stel popsterren met de taxi vlak voor de ingang van de dancing afzetten.
Daarmede maakten we een dusdanig indrukwekkend entree, dat algemeen werd aangenomen dat we de leden van een bekende band waren, die zich verwaardigden de gelegenheid te bezoeken.
Die rol beviel ons wel en de gehele avond werden we omringd door leuke meisjes. Echter men keek ook wel de hele avond uit naar het moment dat we het podium zouden bestijgen en onze muzikale kunsten ten toon zouden spreiden.
Toen de band van de avond zijn instrumenten belangeloos aan ons ter beschikking stelde, konden we niet anders dan iets ten gehore te brengen.
Eenmaal op het podium geklommen, konden we volgens mij niet meer produceren dan een partij herrie. Fred en Willem speelden een beetje gitaar en ik kon wat tonen voortbrengen uit mijn mondharmonica.
Het was een kortstondig optreden, korter nog dan het eerste concert van The Rolling Stones in het Kurhaus in Scheveningen. We hadden ook totaal geen repertoire. Na 5 minuten verlieten we het podium weer om ons tussen het publiek te begeven. Tot onze grote verbazing waren onze toehoorders redelijk enthousiast.
Door al het succes die avond, misten we de laatste bus naar Utrecht.
Opeens bedacht ik dat mijn vader ons met de auto wel even kon komen ophalen. Immers ik had hem al zo vaak geholpen met het aanduwen van zijn oude Opel.
Toen ik mijn vader eindelijk op het late uur aan de lijn kreeg, reageerde hij kortweg op mijn verzoek met: “Je komt maar naar huis lopen”.
Gekleed in onze witte pakken, zijn we bijna de halve nacht op pad geweest. Lopend langs de spoorlijn Arnhem-Utrecht, arriveerden pas om vier uur ’s morgens thuis. Onderweg hadden we wel wat boomgaarden aangedaan om onze magen te vullen.
Samenvattend, het heeft altijd veel voeten in de aarde gehad de afstand Utrecht-Driebergen/Doorn en terug, gezond en wel te overbruggen.

EINDE

Voor meer gratis verhalen, gedichten en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/