Aflevering 3: Je komt maar naar huis lopen

JE KOMT MAAR NAAR HUIS LOPEN
Geschreven door Bert Plomp

Na het Solex-tijdperk brak er thuis een periode van enige welvaart aan. Mijn vader en moeder hadden met diverse bijbaantjes nu genoeg geld bij elkaar gesprokkeld om hun eerste automobiel aan te schaffen.
De sigarenboer bij ons in het plantsoen was een echte zakenman. Hij had niet alleen een geweldig assortiment aan rookwaren maar ook een goede neus voor timing. Hij wist exact wanneer het tijd was om een geliefde auto van de hand te doen. Bijvoorbeeld aan een eenvoudige verzekeringsagent als mijn vader.
Mijn vader heeft tweemaal een auto van hem overgenomen. Beide keren ging het voertuig niet echt lang mee.
De eerste auto was een rode Opel Rekord, de tweede een Ford Taunus.
Vooral met de eerste auto had ik slechte ervaringen. Toen woonde ik nog bij mijn ouders thuis.
Bijna ieder weekend, als de karavaan op het punt stond koers te zetten richting camping, liet de verdomde motor van het vehikel het afweten. Samen met mijn twee broers en vrienden uit de buurt moest ik die kar vervolgens tot bijna halverwege Bunnik aanduwen. Zelfs dan sloeg die motor menigmaal nog niet aan en moest de ANWB worden ingeschakeld.
Het is weleens voorgekomen, toen we eenmaal buiten de stad waren beland, dat we ten langen leste de hulp hebben ingeroepen van een passerende schillenboer. We hebben toen zijn paard voor de auto gespannen.

Als de auto weer eens aangeduwd moest worden, bleven vader, moeder en mijn zuster prinsheerlijk op het pluche van de autostoelen zitten. Met enig leedvermaak in hun ogen tuurden beide dames dan door de achterruit naar de zwoegers achter de auto.
Het mag een wonder heten dat een van de duwers nooit op het asfalt achterbleef met een hartstilstand. De reis terug verliep ook zelden zonder problemen. Samen met mijn vrienden Fred en Willem van de Adriaen van Ostadelaan, ging ik als 17-jarige regelmatig uit in Driebergen. We bezochten daar ‘De Prins van Oranje’. Dit etablissement was in die tijd een café annex dancing waar in het weekend bandjes, zoals The Blue Diamonds, optraden.
Als stadse jongens konden we altijd wel rekenen op aandacht van aantrekkelijke, lokale meisjes. Die belangstelling voor ons viel echter meestal niet in goede aarde bij de plaatselijke jongemannen. Regelmatig leidde dat tot een agressieve houding hunnerzijds.
Als de avond ten einde liep, moesten we zorgen dat we tijdig de dansvloer verlieten en laatste kusjes uitdeelden aan de meisjes. Precies op tijd om de bushalte aan de overkant van de dancing heelhuids te bereiken, zodat we direct de arriverende bus in konden glippen. Op die manier wisten we knokpartijen met deze jaloerse jongens te vermijden. Veelal bleef het geweld beperkt tot wat gebonk met de vuisten op de ramen van de bus.

Fred en Willem werkten allebei, terwijl ik nog op school zat. Zij beschikten altijd over voldoende geld om zich puik te kleden en om uit te gaan. Ik moest het met het geld van een krantenwijkje belangrijk rustiger aan doen. Desalniettemin kon ik me, net als de broers, de aanschaf van een wit pak van spijkerstof permitteren.
Toen we weer eens naar ‘De Prins van Oranje’ gingen, waren we gedrieën in het wit gekleed. We hadden eerst de trein naar Driebergen genomen en lieten ons vervolgens als een stel popsterren met de taxi vlak voor de ingang van de dancing afzetten.
Daarmee maakten we een dusdanig indrukwekkende entree dat algemeen werd aangenomen dat we de leden van een bekende band waren. Een drietal popartiesten dat zich verwaardigde eens poolshoogte te nemen in Driebergen.
Die rol beviel ons wel. De hele avond werden we omringd door leuke meisjes. Echter, men keek ook vurig uit naar het ogenblik dat we het podium zouden bestijgen. Naar de climax van de avond. Het moment waarop we onze muzikale kunsten ten gehore zouden brengen.
Ook de leden van de optredende band waren enigszins beduusd van onze aanwezigheid. Toen zij halverwege de avond ons hun instrumenten belangeloos ter beschikking stelden, bleef ons geen andere keuze dan te performen.
Nadat we het podium hadden beklommen, konden we niets beters produceren dan een partijtje herrie. Althans, dat was mijn idee.
Fred en Willem speelden een beetje gitaar en ik kon wat tonen voortbrengen uit mijn mondharmonica.
Het was een kortstondig optreden. Korter nog dan het eerste concert van The Stones in het Kurhaus in Scheveningen. We hadden ook helemaal geen repertoire. Na vijf minuten stapten we alweer van het podium af met het plan om ons verder die avond wat minder opvallend tussen het publiek op te houden.
Tot onze grote verbazing bleken onze toehoorders redelijk enthousiast over onze muzikale inbreng te zijn.
Door dit eclatante succes hadden we even niet op de klok gelet en misten we de laatste bus naar Utrecht.
Plots bedacht ik dat mijn vader ons misschien wel even wilde komen ophalen met de auto. Immers, we waren hem zo vaak van dienst geweest bij het aanduwen van zijn oude Opel.
Toen ik mijn vader op het late uur eindelijk aan de lijn kreeg, reageerde hij botweg met: Je komt maar naar huis lopen.
Gekleed in onze witte pakken zijn we bijna de halve nacht op pad geweest. Slenterend langs de spoorlijn Arnhem-Utrecht arriveerden we pas om vier uur ’s morgens thuis. Onderweg hadden we wel wat boomgaarden bezocht om onze honger te stillen.
Ook deze keer bleek het een hele opgave te zijn om het traject Driebergen-Utrecht gezond en wel te overbruggen.

EINDE

Voor alle afleveringen klik op: Reisperikelen

Voor meer gratis verhalen, gedichten en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/