Haagse vrienden

HAAGSE VRIENDEN
Geschreven door Bert Plomp

In 1964 raakte ik op camping Het Grote Bos in Doorn bevriend met een viertal jongens uit Den Haag.
Een van hen werd een goede vriend van mij, zijn naam was Peter. Hij woonde in een zijstraat van de Laan van Meerdervoort, vlakbij Kijkduin.
Bij Peter heb ik in die periode meerdere malen gelogeerd. Echter bij de onvolprezen ouders van mijn schoonzuster Petra, die ook in Den Haag woonden, nog veel vaker.

Met mijn Haagse vrienden bezocht ik vele concerten in club 192. Deze club was gehuisvest in het casino van Scheveningen. Bekende bands als The Spencer Davis Group, The Kinks, The Golden Earrings, Q65, Shocking Blue en The Motions traden daar met de regelmaat van de klok op.
Als het om popmuziek ging, was Amsterdam in die dagen, vergeleken met Den Haag, echt een plattelandsgemeente.

Dat Peter en zijn maten mijn vriendschap toentertijd zochten, kon niet worden verklaard uit het feit dat ik, net als zij, rondreed op een Tomos.
Mijn brommer oogde werkelijk afgejakkerd en stak heel povertjes af tegen die van hen.
Als we met z’n allen in colonne van Het Grote Bos naar Den Haag toerden, viel mijn race-ijzer echt uit de toon. De Tomos-brommers van de anderen zagen er werkelijk gelikt uit. De kleur was niet glanzend zwart maar gemoffeld. Het geluid van de motoren klonk niet als van een bromfiets maar als van een zware motorfiets.
Ook qua kleding moest ik het afleggen. Terwijl ik het moest hebben van mijn lange vliegeniersjas met bontkraag, gekocht bij een legerdump, droegen zij een kort bruin suede spijkerjack met “indianen rafels” aan de mouwen. Kleding die heel goed combineerde met hun voertuigen.

Mijn kameraden beloofden mij, als ik Den Haag weer eens zou aandoen, dat ze mijn brommer wel even zouden pimpen.
Toen het zover was, vond het optuigen plaats op een wijze die ik niet direct had kunnen vermoeden.
Al toerend langs de duinen en het strand, werden onderdelen van  aldaar geparkeerde bromfietsen van hetzelfde merk vakkundig omgewisseld met die van mij. Na iedere stop verbeterde het aanzien van mijn brommer ten koste van de bezochte fiets.
Aan het einde van de rit zag mijn Tomos er bijna net zo puik uit als van de rest.

In die dagen gingen mijn langharige vrienden en ik, ditmaal gehuld in zwarte capes, als zogenaamde “Kikkers” regelmatig op de Tomos naar het strand.
Daar kwam het dikwijls tot een hevige knokpartij met de “Bullen”. Het was het uitvechten van een conflict tussen vetkuiven en langharigen. Hierbij diende de strijd tussen The Mods en The Rockers in Engeland als lichtend voorbeeld.
Het conflict, als je zo’n onbenullig verschil van mening al zo mag betitelen, ging eigenlijk om niets. Niets meer dan dat de strijdende partijen de voorkeur gaven aan duidelijk van elkaar afwijkende haardrachten en bromfietsen.
De ene groep droeg achterover gekamd haar met een royale hoeveelheid Brylcreem er doorheen gewreven om het haar in positie te houden. De andere groep droeg loshangend lang haar zonder lubricatie.
Leden van de eerste groep reden op een “buikschuiver”. Een bromfiets, waarop je met je buik op de tank lag. Veelal een Zündapp of een Kreidler. De haardracht liep aldus in lijn met de platte houding op de brommer.
Leden van de tweede groep hadden een Puch of een Tomos. In beide gevallen uitgerust met een hoog stuur. Zodoende zat de berijder rechtop en viel zijn lange haar verticaal in lijn met zijn stuur.
Vetkuiven waren vaak werkende jongeren of bezoekers van lager voortgezet onderwijs. Langharigen trof je meer aan onder leerlingen van het hoger voortgezet onderwijs.
Dat verschil was met name de oorzaak dat de groepen met elkaar botsten.

Eenmaal op het strand gearriveerd voor zo’n veldslag, werd de aanval op de aldaar verzamelde vetkuiven vrijwel direct ingezet. Dat gevecht vond gewoon plaats tussen het zonnebadende publiek. Geen fraaie vertoning dus. Al helemaal niet omdat het er heftig aan toe kon gaan. Zo heftig dat er eens een dode te betreuren viel. Bepaald niet iets om trots op te zijn.

Bij de lieve ouders van mijn schoonzuster heb ik vaak gelogeerd als ik in Den Haag vertoefde. Rie en Piet verwenden mij altijd enorm.
Alvorens ’s avonds naar Club 192 af te reizen, speelde ik altijd een aantal partijtjes schaak met Piet. Als ik terugkeerde van het uitgaan, waren zij altijd nog op en praatten we gezellig na over van alles en nog wat. Daarna dook ik in Petra’s sponde en kreeg de volgende morgen een heerlijk ontbijt op bed.
Wat wil je nog meer als jongeman.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/