Aflevering 4: De kikkerproef

DE KIKKERPROEF
Geschreven door Bert Plomp

Studerende broer Theo had in zijn jeugd, net als ik, diverse baantjes om wat geld te kunnen uitgeven aan leuke dingen.
Het wassen van auto’s was zijn voornaamste inkomstenbron. Zijn beste “wasklant” was ene meneer Jansen, die een flatgebouw verderop woonde.
Jansen was oprichter en eigenaar van het huisartsenlaboratorium aan de Burgemeester Reigerstraat.
Omdat Jansen een meer dan modaal inkomen verdiende, kon hij eind vijftiger jaren een heuse Amerikaanse Cadillac eropna houden.
Theo waste die slee iedere zaterdag alsof het zijn eigen bolide was. Hij deed dat met zoveel overgave, dat hij na verloop van tijd ook uitgenodigd werd werkjes te komen doen op het alom gerespecteerde laboratorium.
Voor het autowassen werd Theo al rijkelijk beloond met een zilveren gulden per beurt. Met de stap naar het lab, maakte mijn broer een waanzinnige promotie.

In Jansens onderzoeksruimte werd Theo belast met de zeer verantwoordelijke taak van het kweken van kikkers.
Die kikkers werden gekweekt om te worden gebruikt voor de zogenaamde “kikkerproef”. Hierbij werd een kikker geïnjecteerd met de urine van een meisje dat mogelijk zwanger was.
Na enige tijd kon je aan de zwemvliezen van de ongelukkige kikker zien of het meisje zwanger was of niet. Of het meisje onvoorzichtig was geweest dan wel haar doel had bereikt. Of dat het allemaal gebakken lucht was.
Mijn broers taak was uitsluitend het fokken van kikkers. Waarschijnlijk tot zijn spijt, had hij geen enkele bemoeienis bij het opvangen van urine van een te testen meisje. Evenmin bij het injecteren van een kikker of het trekken van conclusies.
Met de mogelijke zwangerschap van zo’n meisje had hij natuurlijk sowieso niets van doen. Hij was toen veel te bescheiden en te terughoudend voor zo’n daad.
Wat er met de kikker na afloop van de test gebeurde, is mij niet bekend. Ik moet de noeste kweker daarover nog eens om opheldering vragen.

Op grond van zijn goede ervaringen met Theo, meende Jansen dat andere leden van dit gezin wel eens uit hetzelfde betrouwbare hout gesneden zouden kunnen zijn. Dientengevolge werkte in een mum van tijd de hele familie Plomp voor hem. Niet alleen op het laboratorium maar ook thuis.
Thuis werden vele postverzendingen gereed gemaakt. Het betrof brieven bestemd voor huisartsen. Huisartsen over het hele land verspreid.
Mijn vader typte zich wezenloos. Met behulp van een ouderwetse typemachine, voorzag hij duizenden enveloppen van een adres.
De andere gezinsleden vouwden de brieven en stopten die in de getypte enveloppen. Voorzien van een postzegel, werd het geheel tot slot plechtig overhandigd aan de PTT.
Zo nu en dan verdween er wel eens een ongestempelde postzegel in mijn postzegelverzameling. Ach, een kniesoor die daar een punt van maakt.

Op het lab had ik nu ook een baantje bemachtigd. Waar broer Theo druk was met zijn kikkers, was ik in een ander deel van het pand aan de slag met het kweken van torren. Dat kweken vond plaats in grote bakken, gevuld met een soort zaagsel. De bakken werden verlicht en verwarmd door een hele batterij infraroodlampen. Het krioelde er van larven en torren. Je kreeg er echt de kriebels van.
Mijn werk bestond eruit het krioelende circus een beetje fris te houden en de volgroeide torren van de rest te scheiden.
Het was een vochtig, warm en onaangenaam riekend gedoe.
Waar de torren uiteindelijk hun eindbestemming vonden, laat zich raden. Volgens mij moest broerlief de vrucht van mijn arbeid een voor een aan zijn kikkertjes voeren.

Mijn ouders hadden beiden een vaste bijbaan op het laboratorium.
Aan het einde van haar werkdag thuis, spoedde mijn moeder zich op haar solex naar de Burgemeester Reigerstraat om aldaar uiteenlopende schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Zodra mijn vader gereed was met zijn verzekeringswerk, vergezelde hij haar aldaar.

Na een aantal jaren verliet Jansen zijn eenvoudige flat in het Napoleonplantsoen. Hij betrok aansluitend een nieuwgebouwde villa aan de oevers van de Kromme Rijn in Bunnik.
Aan de jarenlange samenwerking met Jansen kleefde “slechts” een smetje. In navolging van de kikkers en andere wezentjes, maakten mijn ouders ook eens deel uit van Jansens laboratoriumproefjes.
Ze deden ooit mee aan een proef om af te vallen op basis van een experimentele hormonenkuur. Mijn vader heeft daar waarschijnlijk “K” aan overgehouden. In de volksmond werd met “K” de gevreesde ziekte kanker destijds aangeduid.
Kanker was toen een dusdanig angstaanjagende ziekte, dat men het woord niet volledig durfde uit te spreken. Bang als men was dat, door het woord alleen al in de mond te nemen, deze ziekte zich daar zou nestelen.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen, gedichten en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/