Aflevering 5: Spijbelen

SPIJBELEN
Geschreven door Bert Plomp

Onderricht in Plant- en dierkunde kreeg ik van ene meneer Brouwer, een uiterst vriendelijke man. Hij was altijd erg in zijn nopjes als een van de leerlingen een opgezet dier uit de grote verzameling naar zijn leslokaal op de eerste etage had gesjouwd.
Brouwer kon aansluitend oeverloos uitweiden over zo’n dier. Toch wist hij het altijd boeiend te houden. Wat jammer dat ik hem nooit met een “opgezette De Looff” heb kunnen verrassen.
Om hem een keer in de maling te nemen, heb ik, samen met een paar andere jongens, een bok en een paard uit het gymnastieklokaal naar boven gesleept. Hij kon er de humor wel van inzien.
Veel minder goed was Brouwer te spreken toen hij zijn lokaal op een dag betrad en hij werd verwelkomd door een klas vol opgezette dieren. Vanaf iedere lessenaar werd hij strak aangestaard door een opgezet wezen. Zij waren daar vlak voor aanvang van de les geplaatst.
De arme man schrok zich een bult. Niet zozeer van de dode dieren, maar van een aantal leerlingen, dat buiten op de vensterbank, hoog boven de begane grond, zijn verrichtingen binnen stond gade te slaan.

Zoals gebruikelijk op scholen, werd er in mijn klas een klassenboek bijgehouden. In dat boek werd aangetekend wie absent was en welke huiswerkopdrachten er waren uitgedeeld. Voor wanneer er een schriftelijke overhoring of een repetitie was afgesproken. Voorts alle andere ellende die de moeite van het noteren waard was.
Het klassenboek werd van les tot les meegesjouwd door de klassenvertegenwoordiger. Aan het begin van de les werd het boek plechtig aangeboden aan de leerkracht van dienst.
Hoewel in beginsel iedere leerling in aanmerking kwam voor deze verantwoordelijke job, was het in de praktijk altijd de braafste van de klas.
Het verbaasde daarom niemand dat Conny en ik nooit voor die functie werden voorgedragen, laat staan gevraagd.
Conny kwam natuurlijk niet aanmerking omdat zij altijd boos of brutaal keek. Voor mij gold echter dat ik niet alleen brutaal was, maar bovendien heel vaak afwezig was. Qua absentie had ik met afstand de hoogste score van de hele school. Dat kwam niet omdat ik dikwijls ziek was of om een andere ernstige reden niet kwam opdagen. In de regel was ik namelijk netjes op tijd op school. Evenwel, bijna dagelijks stond conciërge Poepoog al bij de deur naar mij op de uitkijk. Zodra ik hem passeerde drukte hij mij dan een briefje in de hand. Een mededeling dat ik mij terstond moest melden bij de directeur van de school, de heer Thijssen.
Vooral in de derde klas moest ik herhaaldelijk die hindernis zien te nemen. Het had te maken met mijn haar dat te lang was, althans naar het oordeel van Thijssen cum suis.
Kennelijk vond de directie dat kapsel provocerend en was zij als de dood dat andere leerlingen een “slecht” voorbeeld aan mij zouden nemen.

Ik was toen een van de eersten die met lang haar op school verscheen. Niet overdreven lang, maar gelijk de haardracht van Brian Jones van The Rolling Stones dat jaar.
Zodra ik mij gemeld had bij de leiding, kreeg ik te horen dat ik de lessen niet mocht bijwonen zolang mijn haar niet fatsoenlijk was geknipt. Ik kon dus rechtsomkeert maken.
Nu zat ik daar helemaal niet over in, over dat bevel. Want ik verdween met een opgewekt gemoed spoorslags op mijn oude, witte “opoefiets” richting binnenstad.
Nu was het natuurlijk wel zo, dat de schoolleiding mij niet kon blijven weigeren vanwege mijn lange haren.
Nog afgezien van het toen nog algemeen heersende respect voor het uiterlijk van de Vader, de Zoon en andere luisterrijke, langharige individuen van weleer, was zo’n weigering vast in strijd met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Na een lange reeks vergeefse pogingen, gaven Thijssen en zijn kameraden de strijd op. Vanaf dat moment zag je steeds meer langharigen de school “onveilig maken”.

Omdat ik daarna regelmatig spijbelde of om de haverklap de les werd uitgestuurd, bleef mijn naam met stip verschijnen in het klassenboek.
Als ik geen zin had om naar school te gaan, vroeg ik mijn broer Theo, die toen al de school verlaten had en naar de universiteit ging, een briefje op te stellen en te tekenen dat ik ziek was of een begrafenis moest bijwonen.
Gelet op het feit dat mijn moeder uit een gezin van zestien kinderen stamde, kwam de zeer hoge frequentie van het bijwonen van begrafenissen niet ongeloofwaardig over.

Als ik weer eens verzuimde of uit de les was gestuurd, ging ik steevast naar een van de vele beatkelders, gelegen aan de Oude Gracht. Daar zat ik dan uren muziek te beluisteren, onder het genot van een bekertje koffie.
In een café aan het Hanengeschrei op de Vismarkt kon je mij op zulke dagen ook vaak vinden. Met lotgenoten zat ik er hele dagen schaak te spelen.
Een van die lotgenoten was mijn vriend Bertus van der Lem. Bertus zat toen ook in de derde klas van de Rijks HBS.
Zodra ik uit de klas was geschopt, liep ik altijd even langs het lokaal waarin hij op dat moment les had. Ik hoefde maar even door het raam mijn kop te laten zien en vijf minuten later stond Bertus naast mij in de fietsenstalling. Vervolgens fietsten we getweeën naar het Hanengeschrei, alwaar wij de rest van de dag doorbrachten aan weerszijden van het schaakbord.

Bertus was net als ik alleen geïnteresseerd in exacte vakken, maar boven alles in vrouwelijk schoon.
Jaren later vond ik hem weer eens terug op het strand van Zandvoort. Daar lag hij op zijn rug in de zon en werd hij geflankeerd door een prachtige, zwarte vrouw.
Bertus had het toen verder geschopt dan ik. Hij studeerde kernfysica en was bijna afgestudeerd. Kennelijk had hij uiteindelijk wel aandacht besteed aan andere vakken.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/