Aflevering 8: Jeany in het gips

JEANY IN HET GIPS
Geschreven door Bert Plomp

Met al mijn vorige meisjes had ik een vrij korte relatie. Met Jeany, een Indisch meisje, was dat anders: zij was mijn eerste grote liefde.
Jeany woonde in Huis ter Heide. Haar vader werkte daar op de nabijgelegen luchtmachtbasis Soesterberg.

Bij een van mijn tochten op mijn Tomos, reed ik op een zaterdagmiddag in oktober over de Slotlaan in Zeist. Aan het einde van deze laan, vlakbij het busstation, bezocht ik cultureel café Oedipus. In deze kroeg werd voornamelijk jazzmuziek gedraaid. Oedipus werd in die dagen vooral bezocht door lokale, moderne jongeren.
Toen ik het volle café binnentrad, werd mijn aandacht direct getrokken door een heel mooi, Indisch meisje, dat zich te midden van het gezelschap bevond. Het meisje had een zweem van de expressie van Mona Lisa op haar gezicht.
Ze viel niet alleen op door haar schoonheid, maar ook omdat een van haar benen in het gips zat.
Aan haar mooie glimlach las ik af, dat zij mij ook wel zag zitten. Voor mij alle reden om direct op haar af te stevenen en een plekje in de buurt van haar tafeltje te zoeken. Dat mondde uiteindelijk uit in een stoeltje aan haar tafeltje. Er was namelijk niets vrij in haar onmiddellijke omgeving. Kennelijk was ik niet de enige die op haar viel.
In verband met haar ongemak, had zij wat extra ruimte gekregen. De cafébezoekers hadden haar een extra stoel gelaten om eventueel haar gekwetste been op te laten rusten.
Toen ze zag dat ik geen plaats kon vinden, bood zij mij heel lief de vrije stoel aan. Ik vond het daarom wel zo netjes om haar vervolgens aan te bieden, dat zij, indien zulks tot enige verlichting kon bijdragen, haar been gerust op mijn knie mocht plaatsen.
Eenmaal gezeten, stelde ik me aan haar voor. Met een fluweelzachte stem antwoordde zij, dat haar naam Jeany was.
Ik vroeg of ze misschien iets wilde drinken. Toen ik van de bar terugkeerde met koffie, zag ik nog beter met wat voor een mooi meisje ik te maken had. Ze had ook iets aandoenlijks met haar been in het gips. Het beeld van een geknakte lotusbloem kwam bij mij op.
Ze had de onweerstaanbare aantrekkingskracht van een mythische Sirene. Maar dan niet in de zin van een vrouw, die haar maagdelijkheid niet wenste op te geven. Daar kende ik haar eenvoudigweg tekort voor, om er zo’n oordeel op na te houden.

We hebben die middag honderduit gepraat. Over haar Indische achtergrond, over uitgaan en muziek. We hadden een geweldige klik.
Het was bijna vanzelfsprekend, dat we aan het einde van de middag afspraken elkaar spoedig weer te zien.
Gezien haar fysieke toestand, was het geen optie haar achterop de brommer naar Huis ter Heide te brengen. Ik hielp haar daarom in de bus en we kusten elkaar vurig tot ziens.

Op weg naar Utrecht, zat ik te mijmeren over een volgende ontmoeting met Jeany. Tot nu toe had ik weinig werk gemaakt van een langdurige relatie met een meisje. In dat opzicht was ik altijd een vrolijke flierefluiter geweest. Maar voor dit meisje wilde ik mijn losbandige bestaan wel aan de wilgen hangen. Het pareltje uit “De gordel van smaragd” had mijn hoofd op hol gebracht.

De eerste maanden van onze verkering, zagen we elkaar ieder weekend. Ook doordeweeks ontmoette ik Jeany regelmatig. Hetzij in café Oedipus in Zeist, hetzij in Utrechtse uitgaansgelegenheden.
We gingen ook zo nu en dan naar de circusresidentie van Toni Boltini in Soesterberg. Daar bezochten we optredens van The Golden Earrings en van Engelse topgroepen als The Troggs.
Zolang Jeany nog in het gips zat, waren we aangewezen op de busdiensten van de NBM. Dat kwam, qua vertrektijden, vaak niet goed uit. Op een gegeven moment besloten we toch maar om de Tomos meer als vervoermiddel in te zetten.

Op een goede dag ging het gips eraf. Jeany kon weer gaan en staan waar ze wilde. Dat luidde het begin in van een periode, dat er fysiek ook meer mogelijk werd. Meer dan uitsluitend gaan en staan.
Tot dan waren we nog niet met elkaar de koffer in gedoken. Het gips zat immers teveel in de weg. Een geschikte koffer vinden, was trouwens nog een ander puntje van aandacht.
Een keer, na een avondje Boltini, bracht ik Jeany op de brommer thuis. Het middernachtelijk uur lag reeds achter ons. In Huis ter Heide lag iedereen op een oor. De verleiding was groot om het huis binnen te sluipen en Jeany’s kamer op te zoeken.
Op onze tenen lopend, naderden wij de tuindeur aan de achterzijde van het huis. Plots ging binnen het licht aan, gevolgd door: “Jeany, ben jij daar?”. Mijn liefje trad naar binnen en stelde haar moedertje gerust. Ik had Jeany ingefluisterd, dat ik, in het schuurtje achter in de tuin, haar seintje zou afwachten. Hoewel ze die nacht een paar keer aan haar venster verscheen, kon ze het signaal “de kust is veilig” niet afgeven.
’s Morgens vroeg, voor dag en dauw, stapte ik geradbraakt op mijn Tomos en vertrok onverrichter zaken naar Utrecht. In plaats van de nacht aangenaam te hebben doorgebracht in de koesterende armen van mijn geliefde, had ik mijn lijf te rusten moeten leggen op het langgerekte, harde zadel van een buikschuiver, welke brommer in het schuurtje stond gestald.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/