Aflevering 5: Het gebed ruw verstoord

HET GEBED RUW VERSTOORD
Geschreven door Bert Plomp

Na Rijks, arriveerde ene Kuilenburg op Het Grote Bos. Wederom een Wika, wederom een mannetje waarvoor je dus moest oppassen.
Anders dan zijn voorganger, was Kuilenburg meer een kantoormannetje, dat zijn vazallen vanachter z’n bureau aanstuurde.
Dit was mogelijk omdat er tussen alle nieuwbouw inmiddels ook een kantoortje was verrezen. Dit bescheiden optrekje werd gek genoeg hoofdkantoor genoemd, terwijl er geen ander bureel op de camping te vinden was.
De sfeer op de camping bleef nagenoeg ongewijzigd. Het bos bleef het bos, de recreatieactiviteiten bleven in handen van dezelfde leider en de Nederlands Hervormde Kerk maakte de dienst uit.

Voor mij veranderde er toch wel wat onder het regime Kuilenburg. In het belang van zijn gemeenschap, heeft hij mij namelijk een aantal keren van de camping laten verwijderen. Althans dat idee had hij. Want waar ik met opgeheven hoofd bij de hoofdingang eruit werd gezet, kwam ik even later via een zijingang het terrein weer op.
Ik mocht dan wel geëxcommuniceerd zijn, maar de rest van het gezin niet. Dus mijn ouders’ bungalowtent bleef eenvoudigweg overeind staan en ik bleef ‘m gewoon gebruiken.

Om de discipline op de camping beter te bewaren, had de campingbaas een gepensioneerde boswachter ingehuurd.
De wachter reed rond op een zware dienstfiets en droeg een groen kostuum. Kennelijk had hij beide bij pensionering niet ingeleverd. Met pijn in het hart, zijn geweer waarschijnlijk wel.
Om nog meer indruk te maken droeg hij een grote rangershoed met een veertje erop.
Op een dag moest ik me ‘s morgens melden op het hoofdkantoor in verband met een of ander akkefietje.
Toen ik ruim te laat ten burele verscheen, hoorde ik dat de dienstklopper reeds op pad was naar mijn tent.
Omdat een vriendinnetje de nacht bij mij had doorgebracht, moest ik als een speer terug naar mijn bivak. Het meisje hield namelijk van uitslapen en was niet te genieten als ze bruut werd gewekt.
Buiten adem arriveerde ik als eerste en kon haar nog net op tijd ongezien de tent uitloodsen. Daarmede bespaarde ik de groene wachter een zeer onaangename start van zijn dag.

Na Kuilenburg volgde Otto. Met de laatste heb ik het zelden aan de stok gehad.
Cees Otto had moderne opvattingen en was ook geen despoot, zoals zijn voorgangers. Daar kwam nog bij dat ik al lang geen opstandige teenager meer was.
Cees en ik hadden ooit een noemenswaardig conflict.
Vlak bij mijn boshuisje stond een overhangende naaldboom. Ik vreesde dat deze den vroeg of laat om zou gaan en op het rieten dak zou ploffen.
De man van de technische dienst had ik al meerdere malen gevraagd iets aan die gevaarlijke situatie te doen. Hij gaf echter nooit thuis.
Dat was ook weer zo’n type waarmee ik slecht uit de voeten kon.
De man had altijd een onheilspellende grimas op zijn gezicht. De vertrokken gelaatstrek van een zwaar psychiatrische patiënt. Hij had veel weg van een buiten zijn zinnen geraakte Hannibal Lecter.

Toen het te lang ging duren besloot ik maar weer eens het heft in eigen handen te nemen. Oftewel de boom zelf om te leggen.
Het beste moment om zoiets onopgemerkt te doen, was op een zondagmorgen na 10 uur. Wanneer de geloofsgemeenschap zich in de grote zaal had verenigd voor de eredienst.
Voorafgaande aan de godsdienstoefening werden de gelovigen opgeroepen zich naar de tempel te spoeden door langdurig irritant klokgelui. Gedurende alle seizoenen van het jaar.
Vlak bij de plek van samenkomst bevond zich de boosdoener: de “bosklok”. Deze klok was daar geplaatst op een heuveltje. Iedere zondagmorgen stond er ruim voor aanvang van de dienst een of andere godsdienstmaniak als een bezetene aan die grote bel te rukken. Van lekker uitslapen op de camping kon zodoende nooit sprake zijn.

Toen, naar mijn idee, op de bewuste zondagmorgen de godsdienstoefening behoorlijk op stoom was gekomen, brak voor mij het moment aan om te handelen. Het moment om de kettingzaag in de stam van de gewraakte boom te zetten.
Na wat stevig zaagwerk gaf de boom zijn verzet op en bewoog zich neerwaarts in de gewenste richting.
De boom was evenwel veel zwaarder dan ik had verwacht. Toen de boom de grond ramde, gaf dat een enorme klap. Van de schokgolf die de inslag teweegbracht, zou menig ervaren seismoloog in vervoering zijn geraakt.
De aldus in gang gezette aardschok, eenmaal het klokkenheuveltje bereikt hebbende, gaf daar een enorme ruk aan de bel. Een ruk, waartoe onze fanatieke luider in zijn beste dagen niet in staat was geweest. Evenmin met kerst.
De op dat moment diep in gebed verzonken gelovigen, werden daarin door het plotselinge heftige gelui ruw verstoord.

Ofschoon dit op de dag des Heren volstrekt ongebruikelijk was, werd ik, als aanstichter van het onheil, gemaand me diezelfde dag op het kantoortje van de bosmanager te melden.
Otto kon dit kwaad natuurlijk niet ongestraft laten. Hij legde mij een boete op van 100 gulden voor het ongeoorloofd omzagen van een boom.
Omdat ik niet bereid was op die wijze boete te doen, kwamen we overeen dat ik die som aan een goed doel zou schenken.
Aldus geschiedde. Het bedrag stortte ik op de rekening van een ideële organisatie.
Het betrof een organisatie die zich hard maakte voor het opnieuw uitbrengen van klassieke natuurmagazines. Tijdschriften met zwartwit foto’s van blote, blonde, atletisch gebouwde vrouwen van Germaanse komaf.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/