Aflevering 1: Jij bent de pineut

JIJ BENT DE PINEUT
Geschreven door Bert Plomp

In mijn prille jeugd, ik spreek nu over de jaren vijftig van de vorige eeuw, speelden kinderen gewoon lekker buiten op straat.
Zelfs de bussen van het GEVU, die af en aan reden door het Napoleonplantsoen, weerhielden de kinderen er niet van, met elkaar op straat te ravotten. Voor zover ik weet, is nooit een van mijn vrienden tijdens het spelen ernstig gewond geraakt.
Voetballen was altijd bezigheid nummer één. Dat deden we iedere dag. Daarnaast deden we er tussendoor ook nog andere spelletjes met de bal.
Een van die spelletjes was “stoepranden”.
Net zoals bij voetbal, moest er eerst gepoot worden voor de strijd kon beginnen. Er moest een selectie worden samengesteld uit de beschikbare jongens en meisjes. De aanvoerder die het poten winnend afsloot, mocht als eerste kiezen uit de gegadigden.
Dat poten was een heel ritueel. De twee aanvoerders gingen op enige afstand tegenover elkaar staan. Daarna stapten ze voetje voor voetje op elkaar af. Degene die de laatste volle voet kon plaatsen, was winnaar. Onderweg mocht je ook een beetje smokkelen, door een halve voet of het topje ervan neer te zetten. Dan moest je, om pijn te voorkomen, wel op tijd je achterste voet wegtrekken.
Het selecteren van medespelers was iedere keer weer een tamelijk meedogenloze kwestie. Naast de sportiefste, behendigste spelertjes, werden de beste vriendjes en vriendinnetjes als eersten uitgekozen. Zij die overbleven, werden bijna als ballast beschouwd. Bij een spelletje voetbal werden die ingezet als doelpaal of ballenjongen. Je zag die kinderen, naar mate het einde van het kiezen naderde, ook heel beteuterd kijken. Vandaag de dag zou dat wellicht als kindermishandeling worden aangemerkt en aanleiding geven om de Kinderombudsman in te schakelen. Toen was het gewoon onderdeel van je opvoeding. De voorbereiding op de grote, boze wereld.

Bij het “Stoepranden” stelden de twee partijen zich aan weerszijden van de straat op. De speler die in het bezit was van de bal, moest proberen deze direct tegen de opstaande zijde van de stoeprand aan de overkant te gooien. De terugstuitende bal diende de gooier daarop op te vangen. Lukte dat, dan had je een punt voor je team gescoord en mocht je doorgaan tot het misging. Na een misser kwam de tegenpartij aan bod.

Een ander spel met de bal heette “Balletje trap”.
Bij aanvang werd er geloot wie de pineut zou zijn. Als dat eenmaal was vastgesteld, moest een ander, meestal iemand met een krachtig schot in de benen, de bal vanaf een centraal punt zover mogelijk weglellen.
De pineut moest nu de bal zo snel mogelijk ophalen en terugleggen op de plek van lancering. Gedurende de tijd dat hij onderweg was, kon de rest van de groep zich ergens in de buurt verstoppen.
Vanaf het moment dat de pineut de bal had teruggelegd, moest hij de “verstoppers” gaan zoeken. Zodra hij iemand had ontdekt, diende hij dat bij de bal luid roepend kenbaar  te maken. Met vermelding van naam en schuilplaats van de achterhaalde persoon.
Mocht iemand zijn kans schoon zien, bij een onbewaakte bal, deze opnieuw een lel te geven, dan kon de pineut van voren af aan opnieuw beginnen.
Kortom, de pineut kon er verzekerd van zijn dat hij een paar uur lang het vuur uit zijn sloffen moest lopen. Zo nu en dan wist hij de dans te ontspringen omdat hij thuis moest komen om te eten.
Door al die inspanningen, was obesitas bij kinderen in die tijd een volstrekt onbekend fenomeen. Desondanks heb ik toch wel eens wat dik uitgevallen jongetjes en meisjes gezien. Dat waren waarschijnlijk jongelui, die zich goed wisten te verstoppen en nooit de pineut waren geweest.
Als jongere sloeg je trouwens geen enkele acht op iemands postuur en uiterlijk. Aan de lopende band foto’s van jezelf maken of laten maken, was al helemaal niet aan de orde.
Fotograferen en filmen was destijds slechts weggelegd voor welgestelden. Bijvoorbeeld voor lieden met een hele reeks voornamen, zoals Bernhard Friedrich Eberhard Leopold Julius Kurt Carl Gottfried Peter Graf von Biesterfeld. Individuen die het zich konden permitteren op safari te gaan en de godganse dag met een camera om hun nek rond te lopen. Zulk volk trof je in het Napoleonplantsoen niet aan. Daar viel evenmin op groot wild te jagen.

Fietsen was ook een heel populaire bezigheid. Er werden dagelijks tientallen kilometers afgelegd op de fiets. Niets was te ver, om op de pedalen te gaan staan.
Naar een voetbaltegenstander fietsen in Zeist, Driebergen, Woerden of welke plaats dan ook in de omgeving van Utrecht, was de normaalste zaak van de wereld. Weer of geen weer.
Heel gewild waren ook de wielerwedstrijdjes rond het eerste blok. Rond het eerste flatgebouw uit een reeks van zes in de wijk.
Plat op de fiets legde ik dat parcours keer op keer af. Met een dusdanige krachtsinspanning, dat het regelmatig zwart voor mijn ogen werd. Dat er tijdens zo’n verhitte strijd nooit een renner onder een bus kwam, mag echt een wonder heten.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/