Aflevering 1: Van wie is die jas?

VAN WIE IS DIE JAS?
Geschreven door Bert Plomp

In mijn tienertijd heb ik regelmatig geprobeerd me uit te dossen als een van mijn rockiconen. Terwijl het imiteren van anderen niet bepaald iets is wat ik normaal gesproken nastreef.
Als je nu mijn kledingkast zou opentrekken, dan tref je daarin kleding aan die ik 25 jaar of zelfs nog langer geleden ook al droeg.
Of je met die kleding nog steeds onopvallend over straat kunt gaan, is me eigenlijk worst.
De kwaliteit van de confectie is onveranderd goed en ik kan mijn lijf er nog moeiteloos in kwijt.

Zo nu en dan koop ik nieuwe kleding. Anders dan wat geldt voor mijn lieftallige vrouw, ben ik daar zo mee klaar. Hierbij moet ik wel vermelden dat ik niet echt op de prijs let.
Indien ik een bepaalde pantalon leuk vind en hij zit goed, dan koop ik doorgaans twee stuks tegelijk.
Na een geslaagde aankoop, spoed ik me direct naar een gezellig terrasje. Daar wacht ik geduldig, onder het genot van wat biertjes, de aankoopresultaten van mijn wederhelft af.

Mijn echtgenote ziet vaak in de eerste winkel die zij bezoekt reeds iets leuks liggen of hangen. Daarna loopt zij de ganse stad af om te zien of ze elders nog beter kan slagen. Uiteindelijk keert ze aan het einde van de dag met hangende pootjes weer terug bij de eerste zaak. Aldaar wordt het begeerde kledingstuk alsnog aangeschaft.
Zoveel geduld kan ik echt niet opbrengen. Een paar winkels bezoeken zonder resultaat, gaat me nog redelijk af. Daarna wordt het al snel doelloos achter haar aan slenteren. Dan neemt de uitzichtloosheid van de missie evenredig toe met de afgelegde afstand.

Van vroeger kan ik me herinneren dat mijn moeder en mijn zus Saskia op zoek waren naar een jurkje bij C&A.
Terwijl alle rekken werden afgestruind en Saskia talloze malen achter het gordijntje van het paskamertje verdween, stonden mijn vader en ik maar te wachten en te wachten. Wachten, heel decent en geduldig bij de roltrap op de damesafdeling.
We stonden daar zo lang te wachten op de terugkeer van de dames, dat we echt door onze hoeven dreigden te zakken.

Je kunt als jongeman op zo’n damesafdeling ook helemaal niets uitrichten. Je kunt moeilijk, om de tijd te doden, je ook te midden van de mantelpakjes en jurkjes ophouden. Nog niet te spreken over tussen de behaatjes en slipjes gaan snuffelen.
Tegenwoordig zou het niet echt opvallen als je dat deed. Toen evenwel, zou de portier worden ingeschakeld om je de winkel uit te werken.
Al staande bij de roltrap, hield je je ogen ook altijd zedig omlaag gericht. Bang dat je was dat een gordijntje van een paskamertje maar half gesloten zou zijn. Dat de gebruikster van het hokje het idee zou krijgen dat je haar stond te begluren.

Hoewel ik vele jaren later, gedurende enige tijd het geduld kon opbrengen om braaf en geïnteresseerd mijn vrouw te vergezellen bij het winkelen, kwam plots dit oude C&A-schrikbeeld weer bovendrijven. Daarom besloten we juist bijtijds om voortaan gescheiden onze weg te gaan bij het winkelen. Met als resultaat dat ik in een uurtje klaar ben en me lekker op een terrasje achter een biertje kan nestelen. Mijn vrouw is dan nog urenlang in haar eigen tempo op zoek naar koopjes.
Als ook zij eenmaal uit gewinkeld is, nemen we er samen nog een en keren beiden tevreden huiswaarts.

In de tijd dat ik de kledinglijn van een bepaald idool kopieerde, was het wel zo dat ik vaak een van de eersten was. Nieuwe interessante stromingen volgde ik direct op. Ik wachtte dus niet tot het moment dat de hele meute om was.
Dat bracht natuurlijk wel het risico met zich mee dat je zo nu en dan voor gek liep.
Het was ook niet eenvoudig. Van huis uit beschikte ik niet over ruime financiële middelen. Ik had doorgaans onvoldoende geld op zak om even een modezaak binnen te wippen en een hip kledingstuk aan te schaffen.

Als ik toe was aan een ander jasje of een pantalon, dan ging ik de boer op om te zien of ik op een voordelige wijze de beoogde kleding kon bemachtigen.
In die dagen hield dat in dat ik de hele familie af struinde. Op zoek naar afgedankte kleding. Afdankertjes die pasten binnen de nieuw bedachte outfit.
Slaagde ik daar niet in, dan resteerde mij weinig anders dan vader of moeder te vragen plaats te nemen achter de naaimachine. Om in ons eigen “atelier” het begeerde kledingstuk te vervaardigen.

Destijds droeg ik werkelijk alles wat in mijn kraam te pas kwam. Oude bontjassen, stola’s, jabots en giletjes van ooms, tantes, opa’s en oma’s. Kortom, alle kledingstukken die bij familie op zolder in de mottenballen lagen te verpieteren, werden geïnspecteerd, gepast en gecombineerd.
Kleding, gevonden op een rommelmarkt en van volstrekt onbekende afkomst, was nooit te min om even uit te proberen. Bij het passen van zulke kleren werd nimmer stilgestaan bij de vraag: “Wie en in welke omstandigheid heeft dit kledingstuk het laatst gedragen?”.
Vragen als: “Was de laatste bezitter wel hygiënisch?”, “Had hij wellicht een ernstige ziekte?”, “Is hij soms in dit jasje overleden?” en “Zit de kleding niet vol ongure beestjes?”. Zulke vragen speelden absoluut geen rol bij het passen en in gebruik nemen van het desbetreffende kledingstuk.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen, gedichten en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/