Aflevering 3: Wallis weet allis

WALLIS WEET ALLIS
Geschreven door Bert Plomp

Er was een leraar Frans met een Duitse naam en er was een lerares Duits met een Franse naam. De eerste heette Kalbfleisch, de tweede heette Plaisir.
Van de eerste heb ik weinig, van de tweede heb ik niets opgestoken. Van de eerste weinig, omdat taal in zijn algemeenheid, en Frans in het bijzonder, mijn belangstelling niet had. Van de tweede niets, omdat ik van Plaisir simpelweg geen les heb gehad. Want ik had een andere leraar Duits.
Toch denk ik dat ik aan de laatste veel plezier had kunnen beleven. Niet alleen om de Duitse taal machtig te worden. Juffrouw Plaisir was namelijk een jonge, aantrekkelijke vrouw.
In de wandelgangen kon je haar altijd van verre horen aankomen. Als ze op haar hoge pumps passeerde, keek eenieder die iets met vrouwelijk schoon ophad, haar aandachtig na. Jong en oud.
Omdat je als jongeman voor een fraaie vrouw altijd eerder bereid bent extra je best te doen, had ik vast en zeker meer tijd in het vak Duits gestoken.

Voor het vak Duits had ik echter de heer Wallis. “Wallis weet allis” zei men altijd over hem.
Omdat hij erg gesteld was op mijn oudere broer Theo, die in de eindexamenklas zat, kon hij veel van mij hebben. Maar de liefde kwam uitsluitend van zijn kant.
“Schneiders Wortschatz” lag ten grondslag aan die eenzijdige genegenheid. Dat leerboek stond vol met spreuken en begrippen die sterk overeenkwamen met bijna gelijkluidende in het Nederlands. Ze betekenden echter totaal iets anders. Zoiets uit je hoofd moeten leren, was niets voor mij.
De relatie werd nog stroever toen onze allesweter een keer de vraag aan de klas stelde: “Wie kent alle stations in de stad Utrecht?”.
Wallis vond het leuk om zo nu en dan het Duitse pad te verlaten om zijn schijnbaar eindeloze kennis te demonstreren.
Toen de namen van alle toenmalige stations, warende Utrecht CS, Buurtstation en Maliebaanstation, de revue waren gepasseerd, claimde ik er nog een te weten. Een station dat zich nota bene niet ver van de school bevond.
Wallis staarde mij vol ongeloof aan. Hij voelde zich behoorlijk in de maling genomen toen ik antwoordde: “Het benzinestation van Shell, gelegen aan de Burgemeester Reigerstraat, meneer Wallis.”.

Ergens, helemaal boven in de nok van het gebouw, hield zich “een oude kraai” schuil. Die leraar doceerde Aardrijkskunde en had eigenlijk allang met pensioen moeten zijn. Deze strijder van het eerste uur heette De Looff.
De man zijn onderwijstechniek stamde echt uit het stenen tijdperk. Zo was hij er heilig van overtuigd dat, indien je zaken maar herhaalde en herhaalde, ze uiteindelijk wel bleven hangen in het jeugdige brein.
Indien een land of een werelddeel werd besproken, moest je eindeloos kaartjes van die gebieden inkleuren met kleurpotloden. Om aldus aan te geven wat daar zoal groeide en bloeide. Ook toen al stond die informatie standaard, gekleurd en wel, afgedrukt in ieder atlas. Wat een tijdverspilling.
Als hij het over Alaska had, sprak hij de naam van die staat in de VS steevast uit als Aljaska. Wellicht dat  hij er een keer geweest was.
In dat opzicht zou Herman Kuiphof de ideale leerling voor hem zijn geweest.
Mijn serieuzere, oudere broer Theo is daags voor zijn eindexamen van school gestuurd. Terwijl de bejaarde De Looff velletjes papier uitdeelde voor nog een laatste repetitie, sloop Theo achter hem aan en zamelde die velletjes weer in.
In een aparte ruimte van het gebouw stond een grote verzameling opgezette, veelal exotische, dieren. Omdat De Looff min of meer vergroeid was met de school, verdenk ik hem er ernstig van dat hij na zijn dood graag opgezet wilde worden, teneinde deel te kunnen uitmaken van deze obscure collectie.

Onderricht in “lichamelijke oefening” werd op school gegeven door ene Bosma.
Deze sportieve man had tevens de leiding over Taveno, de basketbalclub van de Rijks HBS. Naast bekende spelers als Gerrit van Buuren en Charis Sideris, zat broer Theo in de selectie die destijds furore maakte.
Bosma was niet alleen van de sportieve kwaliteiten van mijn broer gecharmeerd. Ik kon ook wel een potje bij hem breken. Ik zat namelijk al een aantal jaren op de Utrechtse gymnastiekvereniging “Fraternitas”.
Deze vereniging had een oefenruimte op de Adriaen van Ostadelaan, schuin tegenover de Aloysiuskerk.
Ik trainde daar zo hard, dat de spetters er letterlijk en figuurlijk vanaf vlogen. Hierdoor bezat ik een getraind lichaam en had ik bij de lessen lichamelijke oefening een flinke voorsprong op mijn klasgenoten.
Bij Bosma stond ik daarom in hoog aanzien. Hij vroeg mij regelmatig een oefening voor te doen. Een oefening met “de bok”, “de kast” of “de ringen”.
Aan het einde van de les hielp ik Bosma altijd nog even met het opbergen van de toestellen. Terugplaatsen in een door een groot gordijn van de zaal afgescheiden ruimte.
Daarna praatte ik altijd nog wat met hem na.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/