Aflevering 3: Heere zegen deze spijze, amen

HEERE ZEGEN DEZE SPIJZE, AMEN
Geschreven door Bert Plomp

Op jonge leeftijd ben ik een aantal keren getuige geweest van verschrikkelijke gebeurtenissen. Deze incidenten staan me nog steeds helder voor ogen. Het ging om twee zeer ernstige ongelukken. Ongelukken waarbij iemand onder een bus kwam.
Het eerste ongeluk vond plaats op het Vredenburg. Hierbij was een man betrokken die onder de wielen van de bus zo goed als platgereden was. Ik was toen vier jaar oud en in mijn eentje op pad in het centrum van de stad. Ik was even ervoor zelf gewond geraakt. Ik was met mijn lijf tussen de draaideur van hotel Smits beland. Daarbij had ik een lelijk gat in mijn kop opgelopen en ik bloedde als een rund. Toen ik door een ambulance werd opgehaald, werd ik voorin gezet. Aansluitend ging de ambulance op weg naar de man die onder een bus was gekomen. Wat er van de ongelukkige was overgebleven, werd op een brancard achterin geplaatst. Tezamen werden we afgevoerd naar het Academisch Ziekenhuis.
Op twaalfjarige leeftijd was ik opnieuw getuige van een dodelijk ongeluk. Dit keer stond ik er met mijn neus bovenop. Een meisje van mijn leeftijd kwam blijmoedig de school uitrennen. Ze stak zonder op te letten de Jutfaseweg over. Haar moeder stond aan de overzijde, met de fiets aan de hand, op haar te wachten. Het meisje werd, vlak voor mijn ogen, door een aanstormende streekbus vermorzeld. Ik zag haar bloed, haar leven, meegevoerd door regenwater, via de straatgoot onder een putdeksel wegvloeien.

Een derde gebeurtenis die in mijn geheugen staat gegrift, vond plaats toen ik zes jaar oud was.
Ik logeerde bij een vriendje, Rudie geheten. Mijn ouders waren in die tijd goed bevriend met de alleenstaande moeder van Rudie. Ik noemde haar tante Mien.
Rudie viel om de een of andere reden niet zo goed in de smaak bij zijn leeftijdgenoten. Niet op school en evenmin bij hem in de buurt. Om het jongetje een beetje uit zijn isolement te halen, werd mij regelmatig gevraagd bij hem thuis aan de Croeselaan te komen logeren. Rudie was een heel aardig, verlegen jochie. Zijn kamertje was afgeladen met mooi speelgoed.
Toen ik hem in de winter weer eens bezocht en bleef logeren, voelde hij zich in de loop van de dag niet goed worden. Hij had hoge koorts en werd, samen met mij, vroeg onder de wol gestopt. Rudie is ’s nachts naast mij in bed overleden.
In die tijd waren er geen crisisteams die je hielpen bij het verwerken van zulke nare ervaringen. Ik ben er op eigen kracht overheen gekomen. Met psychische hulp raak je zulke beelden trouwens toch niet kwijt.

Rennende kinderen bepaalden in mijn jeugd het straatbeeld. Mijn beide broers, mijn zus en ik waren ook altijd aan het rennen. In het bijzonder wanneer het tijd was om te gaan eten. Reikhalzend keken we uit naar het moment dat de schooldeuren openzwaaiden voor de middagpauze. We wisten niet hoe snel we naar huis moesten komen, om te genieten van al het lekkers dat moeder had klaargestoofd.
In die tijd was het gebruikelijk dat ‘tussen de middag’ de warme maaltijd werd genuttigd. Het gehele gezin was dan gezellig rond de tafel verenigd om te eten.
Heel anders is het tegenwoordig gesteld. Overdag is er geen hond meer thuis. De ouders eten een broodje kaas op het werk en de kinderen blijven over op school. Heel jonge kinderen zitten ‘veilig’ opgeborgen in een crèche.
Eigenlijk is er thans vaak wél een hond thuis. Die arme ziel zit de hele dag mistroostig tussen de geraniums door naar buiten te gluren. Eindeloos te wachten op het moment waarop zijn baasje weer voor het raam verschijnt.

Bij mij thuis werd het eten altijd voorafgegaan door de lezing van een passend stukje uit de Bijbel. Het gezinshoofd, in die dagen was dat nog de heer des huizes, was belast met die plechtige taak.
In die tijd was het de Bijbel voor en de Bijbel na. Hoe veel leuker zou het zijn geweest indien er af en toe ook eens wat vrolijks was voorgedragen. In plaats van al die zware, slecht te verteren, christelijke kost.
De periode van het moeten aanhoren van Bijbelteksten voor aanvang van de maaltijd heeft niet al te lang geduurd. Door het groeiende verzet tegen het gezinshoofd was het binnen een paar jaar met hem en zijn Bijbel gedaan. Daarna werd er openlijk de draak gestoken met de voorganger.
Er was vaak helemaal geen gewillig oor meer aanwezig om het Bijbelse gezwets aan te horen. Afgezien van het half dove oor van de oude Ter Steege. Een oud Leger des Heilssoldaat die dagelijks de maaltijd bij ons nuttigde. En, niet te vergeten, het oor van de altijd trouwe viervoeter Marsha. De huishond die immer heel devoot onder de tafel zat te wachten tot hem iets werd toegeworpen.
Voor zo’n Bijbelse voordracht kwamen we niet naar huis rennen.

Wél, omdat we rond het middaguur rammelden van de honger, voor het eten.
Tegen beter weten in renden we ook iedere vrijdag huiswaarts. Bijna altijd renden we eens zo hard weer terug naar school.
Op vrijdag stond er namelijk steevast een visgerecht op het menu. Moeder kon het dan niet nalaten om haar lievelingen te verblijden met haar culinaire hoogstandje: ‘Schelvis met bietjes en mosterdsaus’.
Het was niet zo dat we vrijdag vis aten omdat we katholiek waren. Integendeel, we waren Nederlands-Hervormd. Hervormden hadden niets van doen met katholieken met hun paapse smoelen, vond mijn moeder.
Het culinaire hoogstandje zat jammer genoeg altijd barstensvol graat. De visbeentjes waren onzichtbaar, omdat het gerecht was toegedekt met een plens mosterdsaus. Na inname bracht de visschotel consequent bij menig tafelgenoot een krachtige, anti-peristaltische beweging teweeg. Een beweging die uitmondde in de behoefte om onbedaarlijk te kotsen.

Als we al de fout maakten op een visdag aan tafel te verschijnen dan was het ritueel als volgt.
Vader las een stukje voor uit de Bijbel, gevolgd door het algemeen uitgesproken Heere zegen deze spijze, amen. Deze zegen daalde zelden neer op vrijdag. Zodra het woord amen gevallen was, barstte er een hevige strijd los aan tafel.
Het culinaire genieten ontaardde onveranderlijk in een partij vrij worstelen. Bij die worsteling werd het met zorg bereide visgerecht, met graat en al, eerst bij de zwakste eetweigeraar naar binnen geramd. Dat lot trof doorgaans mijn jongere broer Charles en mijzelf. Charles en ik weigerden namelijk pertinent die misselijkmakende hap te verorberen.
Terwijl de vrome voorganger een van de weigeraars bij zijn kop pakte en zijn neus dichtkneep, plantte moederlief een lepel met die gore troep met kracht achter in zijn strot. Met alle anti-peristaltische gevolgen van dien.
Oudere broer Theo had niet zoveel problemen met zijn prakje. Hij had de oorlog meegemaakt, al was het maar anderhalf jaar.
Mijn ouders vonden altijd wel een argument om me te ‘verwijten’ dat ik de oorlog niet had meegemaakt. Daar hadden ze natuurlijk zelf voornamelijk de hand in gehad en niet ik.
Als ik wat te mopperen had dan was het meteen: Ach jochie, jij hebt de oorlog niet meegemaakt. Het betekende dat je nooit in je leven had hoeven afzien en dat je dus niet moest zeuren.
Vaak wenste ik dat ik de oorlog wel had meegemaakt. Gewoon, om van dat gezeik af te zijn.

Vaak lukte het, wanneer een van de anderen onder handen werd genomen, de verwenste vismaaltijd onder de tafel weg te werken. Op te voeren aan Marsha. Onze trouwe hond stond daar altijd kwispelend paraat om je van je eten af te helpen.
Ook lukte het wel om de maaltijd te doen verdwijnen in een oude schoenendoos en deze tijdelijk weg te moffelen in de linnenkast.
Het heeft twintig jaar geduurd voordat ik ontdekte dat vis eigenlijk heel smakelijk kan zijn. Zolang die maar goed bereid en vrij van graat is!

EINDE

Voor alle afleveringen klik op: Eten wat de pot schaft

Voor meer gratis verhalen, gedichten en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/