Aflevering 2: Een veter corset

EEN VETER CORSET

Vrijwel iedere zaterdag zocht ik mijn opa en oma op in de Nicolaasdwarsstraat in Utrecht. Alvorens vanuit het Lodewijk Napoleonplantsoen naar het centrum te lopen, zocht ik eerst thuis mijn kleding voor een dagje uitgaan uit. Vaak was dat een spijkerbroek met een wit T-shirt, zwarte Clarks, zwarte broekriem, een zwart giletje en een spijkerjack. Via de Koningsweg, Gansstraat en het Ledig Erf, ging ik veelal eerst naar mijn opa Plomp in de Groenestraat, een zijstraat van de Lange Nieuwstraat.
Opa Plomp woonde in een bovenhuis en was een enthousiast duivenmelker. Hij zat hele dagen op het dak van zijn huis met duiven te communiceren, die af en aan vlogen, het leek Schiphol wel. Om de duiven binnen te lokken zat hij zelf als een duif te koeren in de dakgoot.
Zo nu en dan kocht en verkocht hij duiven en daar verdiende hij wat geld mee. Als hij niet op het dak te vinden was, dan zat hij zomer en winter op zijn vaste stoel naast de potkachel in de huiskamer. Ofschoon hem het communiceren met duiven goed afging, moest je hem werkelijk de woorden uit zijn mond trekken als je eens met je grootvader, gezellig rond de kachel gezeten, wilde bijpraten. Het gesprek wilde ook al niet vlotten omdat hij tamelijk doof was. Het enige wat er zo nu en dan wel uit zijn mond kwam was een straal bruin sap van een kees pruimtabak, waarop hij langdurig had zitten kauwen. Hij was een meester in het exact doen verdwijnen van die straal sap in een achter de kachel opgesteld blik, zijn “spuugblik”. Dit blik was een conservenblik, dat meestal bijna vol zat met dit goedje. Geen gespreksmogelijkheden en een straal van dat smerige spul dat te pas en te onpas door de lucht vloog, gaven zelden aanleiding om me lang op te houden in de Groenestraat en dan spoedde ik me daarna naar mijn favoriete opa en oma Heijgen.
Nog afgezien van het feit dat het altijd heel plezierig vertoeven was bij deze opa en oma: er was altijd wel een kom soep of iets anders te consumeren, was het op zaterdag steeds weer spannend te zien wat opa op de spoorwegverkoping had ingeslagen. Deze verkoping vond iedere vrijdag plaats ergens in de buurt van de Nieuwe Gracht.
De grote tafel in de eetkamer was na zo’n verkoping altijd afgeladen met spulletjes die hij daar voor een prikkie had gekocht. Dit waren allerlei zaken die passagiers in de trein hadden achtergelaten en niet hadden afgehaald. Dat waren niet alleen paraplu’s en koffers, maar ook boeken, een fototoestel, een gehoorapparaat, brillen, kleding, schoenen enzovoort.
Op de eettafel was dus van alles uitgestald en wie op zaterdagmorgen het eerst binnenviel, had de ruimste keuze. Vooral de brillen vonden gretige aftrek. Men zette een van de brillen simpelweg op de neus en stelde vast dat men beter zag dan voordien en de zaak was beklonken. Zelf heb ik er ooit een zogeheten ziekenfondsbril bemachtigd en, gelijk de bril van John Lennon, de glazen vervangen door zonneglazen.
Bij eerdere gelegenheden had ik al eens, als eerst binnengekomene, beslag weten te leggen op een damesbontjas, voor op de Tomos, het zwarte giletje dat ik regelmatig droeg en later nog een bijpassend buikhorloge.
Op de bewuste tafel heb ik ook wel eens een veter korset zien liggen. Kennelijk had een dame gedurende een treinreis de beknelling van dit kledingstuk niet langer kunnen verdragen en het, in Joost mag het weten wat voor omstandigheden, uitgetrokken. Ik wil het gebruik van de naam Joost in mijn verhalen verder zo veel mogelijk vermijden, want de partner van mijn dochter heet zo. Het zou die jongen alleen maar verwaand kunnen maken, indien je steeds aan zijn kennis refereert en, in het pikante geval van zo’n korset, een grond kunnen geven voor een twistgesprek tussen hem en mijn dochter en dat wens ik hem op de allerlaatste plaats toe. Bovendien verwijst de naam Joost, in dit opzicht gebruikt, ook nog eens naar de duivel. Uiterste voorzichtigheid geboden dus met het gebruik van die naam.
Op de tafel van opa heb ik ook regelmatig een compleet kunstgebit aangetroffen. Ik heb weleens meegemaakt dat een van de familieleden zo’n exemplaar in zijn mond stak, waarna hij er met een nieuwe “big smile” van doorging. Zo viel er voor eenieder wel wat te halen.

In zo’n omvangrijk gezin als dat van mijn opa en oma is het vrijwel ondoenlijk om de kindertjes allemaal met veel individuele aandacht en liefde groot te brengen, schat ik zo in. Grotere kinderen moesten kleinere kinderen helpen en hadden zodra dit mogelijk was een vaste taak in het huishouden. Er waren allerlei klussen te doen zoals: koken, de was doen, kleding verstellen, schoenen lappen, welke alle binnenshuis afgewikkeld werden.
Later behielden de drie broers en dertien zusters een zeer sterke band met elkaar. Mijn ouders brachten vrijwel ieder vrij uurtje door bij de familie en vooral bij opa en oma Heijgen aan de Nicolaasdwarsstraat, schuin tegenover het Centraal Museum.

Hoe het met de andere directe afstammelingen van dit 16-tal is gesteld, weet ik niet precies, maar de Heijgens kenmerkten zich vooral door een hoge mate van eigenwijsheid en een mening hebben over alles en iedereen. Ze waren zeer vasthoudend en als je als aangetrouwde daar tegenin ging, kreeg je de hele familie over je heen.

Opa Heijgen is bijna 77 jaar geworden. Oma ruim 82 jaar. Oma’s begrafenis was voor Tolsteeg en omgeving een unieke gebeurtenis. De familie had namelijk besloten de gehele geldelijke nalatenschap in haar begrafenis te steken. Dit hield onder meer in dat alle kinderen en kleinkinderen in grote zwarte limousines van haar huis aan de Nicolaasdwarsstraat naar haar laatste rustplaats op de Algemene Begraafplaats in Bunnik getransporteerd zouden worden. Aldus geschiedde. Een eindeloze stoet van rouwwagens zette rond het middaguur van een zomerse dag in juni 1975 koers richting Bunnik via de rotonde bij het Tolsteeg, over de Gansstraat en de Koningsweg. De rouwstoet moet zo lang zijn geweest dat, terwijl de lijkwagen de begraafplaats reeds opreed, de laatste volgauto de Nicolaasdwarsstraat in Utrecht pas uitreed. Diezelfde avond sprak ik een vriend die me vertelde dat hij die dag iets waanzinnigs had meegemaakt en wel dat hij omstreeks het middaguur op het Tolsteeg werd opgehouden door een eindeloze begrafenisstoet. Hij beweerde dat hij ruim een half uur heeft moeten wachten voordat de stoet voorbij was en de rotonde weer vrijgegeven werd.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/