Aflevering 2: Openslaande deuren

OPENSLAANDE DEUREN
Geschreven door Bert Plomp

Het tenthuisje werd jaarlijks in april opgezet en in oktober weer afgebroken. Waarom dat nu echt nodig was, weet ik niet. Het betekende alleen maar veel werk. Er werd gezegd dat de natuur de kans moest krijgen zich te herstellen. Alsof zo’n simpel hutje de natuur geweld aan deed. Maar goed, de campingbaas hield er wel meer absurde ideetjes op na.
Het huisje bestond uit een aantal staande, houten panelen, die je in elkaar kon schuiven. De bodem werd gestalte gegeven door een plankenvloer. Het dak door een groot stuk donkerbruin, canvas zeil, dat over de top en de zijkanten van het bivak werd gespannen met behulp van scheerlijnen.
Behalve via de ingang, kon het daglicht bijna nergens binnendringen. Dat gold eveneens voor de inlaat van frisse lucht. In de achterwand zat slechts een piepklein raampje. In de zijwand aan de voorkant, een wat groter raam.
De voorste helft van het huisje fungeerde als woonkamer. Daarin was tevens een open keuken opgenomen, hetgeen als heel modern gold in die dagen.
Via een paar “openslaande deuren”, althans zo noemde mijn moeder deze naar buiten bewegende deuren, kon je het tenthuisje betreden en verlaten.
De achterste helft bevatte uitsluitend “slaapvertrekken”. Daar moet men zich niet meer bij voorstellen dan een opgedeelde ruimte, waarin geslapen werd.
De helft van die ruimte werd in beslag genomen door de echtelijke sponde van mijn ouders. Uit privacyoverwegingen was dat bed zorgvuldig afgescheiden van de rest van het vertrek. Er hing een dik, donkerbruin gordijn omheen. Het deed nogal luguber aan.
Aan de openbare kant van het gordijn, aan de lange zijde, stond een stapelbed. Dit dubbelbed stond strak tegen de rechterzijwand van het huisje opgesteld.
Eveneens afgescheiden door het echtelijke gordijn, stond rechts van het voeteneinde van mijn ouders’ bed, een eenpersoonsbed.
Mijn ouders sliepen niet alleen in het tweepersoonsbed. Net als thuis in het Napoleonplantsoen, had mijn zusje Saskia de twijfelachtige eer, tussen mijn ouders in te mogen slapen.
Mijn jongere broer Charles en ik hadden de beschikking over het stapelbed. Charles sliep onder, ik boven. Net als een kat, vind ik het prettig enige afstand te houden tot de rest van het volk en hoger te liggen.
Op grond van het feit dat hij de oudste telg was en bovendien studeerde, had  mijn broer Theo het eenpersoonsbed opgeëist. Discussie over die vordering was zinloos.
Voor gasten, zoals mijn vriend Joop, stond een uitklapbaar campingbedje, in het voorste gedeelte van het tenthuisje, gereed voor gebruik.

Het tenthuisje kende helaas niet het gemak van een eigen toilet. Zoiets luxueus in een tenthuisje hebben, was naar de mening van de calvinistische campingleiding te glamoureus. Je doet je behoefte maar in het algemene toiletgebouwtje, was zijn opvatting. Dat je daar honderd meter voor moest lopen, ook in het duister, zag hij niet als een belemmering.
Ten gerieve van degene, die midden in de nacht zijn bed uit moest om nodig een plas te doen, maar ook niet meer dan dat, was er naast het gordijn, aan de kant van het stapelbed, een noodtoilet ingericht. Zo kon je je een spannende voettocht in het donkere bos besparen. Vooral tijdens barre weersomstandigheden was dit heel praktisch.
Dit noodtoilet was niet meer dan een metalen emmer. De emmer was direct naast Charles’ hoofdkussen geplaatst. Zo kon hij, indien nodig, in het donker even met een zaklantaarn bijlichten. Desgevraagd, verrichtte hij tevens nog andere diensten, die een toiletjuffrouw eigen zijn.
Van de emmer, in tegenstelling tot het publieke toilet, werd gedurende de nacht intensief gebruik gemaakt, getuige de inhoud ervan bij het ochtendgloren. Zodra Charles zijn bed ‘s morgens verliet, ging hij met de emmer onder zijn arm op pad naar het toiletgebouw om die aldaar om te keren. Ik vond dat mijn jongere broer zijn belangrijke taak altijd met overgave uitvoerde.
Evenwel, niet zelden was de emmer reeds ‘s nachts geledigd. Hetzij door een late binnenkomer, die de emmer omver had geschopt. Hetzij door een van de stapelbedslapers, die bij het uit bed springen midden in de emmer was beland.

Het stapelbed was immer heel erg gevoelig voor bewegingen. Bewegingen, in gang gezet door zijn gebruikers. Als iemand zich omdraaide in het stapelbed, maakte de bovenste helft van het bed een stevige zwaai. Hierdoor kreeg de zijwand van het tenthuisje een flinke duw te verwerken. Die veroorzaakte op zich weer een schok over de volle lengte van het huisje. Tot slot van deze kettingreactie, sloegen de deuren midden in de nacht op een majestueuze wijze open. Alsof verwacht werd dat elk moment een vorst, bijvoorbeeld in de persoon van de bloeddorstige Vlad Drăculea, zijn entree kon maken.
Voor menig op het campingbedje sluimerende gast, moet dat de schrik van zijn leven zijn geweest.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina: