Aflevering 1: Met melk meer mans

MET MELK MEER MANS
Geschreven door Bert Plomp

Mijn ouders sleurden mij van de ene naar de andere school. Wat een beproeving was dat. Ben je net gewend aan je klasgenoten, moet je je wederom waarmaken in een nieuwe klas, op een nieuwe school en in een nieuwe omgeving.
Wonende in het pand van het Leger Des Heils aan de Lange Nieuwstraat in Utrecht, ging ik lekker makkelijk, net om de hoek in de Zuilenstraat, naar de kleuterschool. Ik had dat stukje lopen nog aanzienlijk kunnen inkorten door via de achtertuin over de schutting te klimmen. Dan stond ik direct op het speelpleintje van de school. Dat mocht helaas niet, want stel je voor dat iedereen dat ging doen.

Sommige kleuterleidsters op die school waren bepaald niet zachtzinnig. Het waren echte feeksen. Om de een of andere reden lokte ik agressiviteit bij hen uit.
Toen merkte ik al, dat ik leden van het andere geslacht zelden onverschillig liet. Of ze hadden een hekel aan mij of ik kon geen kwaad bij ze doen.
Vaak had zo’n vijandige houding ook te maken met mijn oogopslag. Die speelde mij op jonge leeftijd reeds parten. Zonder ook maar iets te hebben gezegd, werd ik al brutaal gevonden. Gewoon vanwege mijn manier van kijken. Als ik dat wilde voorkomen door mijn gezicht af te wenden, dan was het: “Kijk me aan als ik tegen je spreek”. Vervolgens keek ik de opdrachtgeefster dan aan en was het weer: “Kijk niet zo brutaal”. Nou, zoek dat maar eens uit als kleuter zijnde.
Menigmaal werden de oren bijna van mijn kop gerukt. Die juffies hadden er vaak plezier in om mij aan mijn oren ergens naartoe te slepen.
Het ging zelfs een keer zo ver, dat een ‘volkse vrouw’ uit de ABC straat er zich mee bemoeide. Zij had dat orentrekken op de speelplaats vanaf haar balkon gade geslagen. Vervolgens had ze de leidster in kwestie, in goed plat Utrechts, voor van alles en nog wat uitgescholden. Daar bleef het echter niet bij. Kort erna stond zij midden op de speelplaats. Terwijl zij schreeuwde: “Vuil loeder, blijf met je gore rot poten van dat jochie af”, greep zij de kleuterjuf bij de haren en verkocht haar een ferme lel voor haar kop.
Omdat het niet zo vaak voor kwam, dat iemand het voor mij opnam, gaf die afstraffing me een heel goed gevoel.

Na de kleuterschool, ging ik naar de christelijke, lagere school op het Domplein. Mijn oudere broer Theo zat al op die school. Het was daar bidden, bidden en nog eens bidden wat de klok sloeg en, niet te vergeten, melk zuipen.
Er werd steeds wel weer een aanleiding gevonden om je aan het bidden te zetten. Ik moest er helemaal niets van hebben van al dat onderdanige, vrome gedoe. Ik weigerde categorisch om mijn ogen te sluiten en met al die brave kindjes mee te prevelen. Dat was ongepast en leverde mij regelmatig straf op in de zin van een tijdje ‘in de hoek staan’.
Wat me nog het meest van die school bijstaat, was de schoolmelkeuforie die er heerste. Het was melk voor en melk na. Je kon er niet genoeg van drinken. Tenminste, als je gezond wilde blijven.
Iedere dag werden er, van overheidswege, talloze kratten met flessen melk voor de schooldeur gedropt. Flessen van een halve liter, waarvan je de inhoud tijdens de middagpauze naar binnen moest zien te werken.
De scholieren mochten de zilverpapieren afsluitingen van de melkflesjes vooral niet weggooien. Het zilverpapier werd op school verzameld voor de toen al hongerende kindertjes in Afrika. Om die reden werd ook het zilverpapier van thuis mee naar school gebracht. De schoolleiding was maar al te trots, als er weer een gigantische zak met het waardevolle zilverpapier naar een centraal depot kon worden afgevoerd. Wat er daarna mee gebeurde, had niemand weet van. Als scholieren maakten we er grapjes over. We imiteerden de stem van zo’n arm, hongerig Afrikaantje. Een zwart kindje, dat zijn witte leeftijdgenootjes in het verre, koude Nederland bedankt met de woorden: “Hartelijk dank voor het zilverpapier, het smaakte erg lekker”.

Melk drinken bleef gestimuleerd worden door de overheid. Het frequent innemen van de witte drank werd als heel gezond bestempeld. Zo was het ook gesteld met het roken van tabak. Een sigaretje roken was namelijk ontspannend en goed voor je zenuwgestel.
Hoe het ook zij, het was allemaal veel gezonder dan zilverpapier eten, hield ik mij voor. Daarom ging volop voor melk. Roken kwam later nog wel, wanneer mijn zenuwen gingen opspelen, dacht ik.
Bovendien, als je melk dronk, kon je als kind al een begin maken met het bestijgen van de maatschappelijke ladder.
Via een lidmaatschap van de toenmalige ‘Melkbrigade’, kon je het schoppen tot de alom begeerde rang van ‘Melkbrigadier’. Onder de keiharde voorwaarde, dat je hele melklogboekje was vol gestempeld. Oftewel, mits je maar genoeg melk had gezopen.
Het zal niemand verwonderen, dat dit brigadier-schap mij sterk aansprak. Het werd de eerste, serieuze titel die ik in mijn loopbaan binnenhaalde. De erenaam gaf mij bovendien het recht om het embleem van melkbrigadier op mijn jasje te spelden en me daarmee in het openbaar te vertonen.

Toen mijn ouders hun betrekking bij het Leger Des Heils beëindigden, moesten we het pand aan de Lange Nieuwstraat verlaten. We moesten een ander onderkomen zien te vinden. Om die reden heb ik slechts een jaar op de Domplein-school gezeten.
Op weg naar het voortgezet onderwijs, bezocht ik daarna nog twee andere, lagere scholen.
Omdat het niet eenvoudig was om snel een nieuw onderdak te bemachtigen, kampeerden we een zomer en een herfst lang in een tent op camping Het Grote Bos in Doorn.
In die periode bezocht ik een maand of vier een lagere school in Driebergen. Op die school heb ik nog leren schrijven met een griffel op een lei. Het snerpend geluid doet nog pijn aan mijn oren.
De afstand van de camping naar school overbrugde ik regelmatig met mijn zelf-gefabriceerde zeepkistkar. Ik was apetrots op mijn vervoermiddel. Vooral op het metalen DAF-embleem, dat ik voor op de kar had geschroefd. Dat symbool was afkomstig van een afgedankte legertruck uit de oorlog. Het maakte een ritje met mijn voertuig extra avontuurlijk.
Toen eind september 1954 de voor ons bestemde nieuwbouwflat in het Napoleonplantsoen gereed kwam voor bewoning, keerden we terug naar Utrecht. Vanaf dat moment kon mijn lagere schooltijdperk pas echt beginnen. Ik kwam in de tweede klas van de openbare Hans Christiaan Andersenschool aan de Adriaen van Ostadelaan.

WORDT VERVOLGD

Voor alle afleveringen klik op: School in, school uit

Voor meer gratis verhalen, gedichten en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/