Aflevering 2: Het cadeautje van God

HET CADEAUTJE VAN GOD
Geschreven door Bert Plomp

Vroeger, bij mijn ouders thuis, hebben we altijd honden over de vloer gehad.
De eerste hond heette Teddy en dat was een “chou-chou” hond. Het was een uit de kluiten gewassen reu. Overwegend bruin van kleur, met hier en daar wat zwart.
Teddy is de geschiedenis ingegaan als de hond die het ooit presteerde een hele bungalowtent, inboedel incluis, een meter of tien te verplaatsen. Dat geschiedde op camping Het Grote Bos in Doorn, begin vijftiger jaren.
Deze onbedoelde verhuizing was te wijten aan een niet al te slimme zet van mijn oudste broer Theo. Mijn ouders hadden hem namelijk gevraagd op de hond te passen, terwijl zij boodschappen deden in Driebergen.
Teneinde zijn handen vrij te maken om iets leukers te doen, had hij de krachtige viervoeter aan een van de tentpalen vastgemaakt.
Toen Teddy plotseling een konijn in het vizier kreeg, zette hij zijn vier poten schrap, trok de hele tent omver en sleurde deze achter zich en het konijn aan. Ergens tussen de naaldbomen kwam het hele bivak eerst tot stilstand.

Na het verscheiden van Teddy, kwam er wederom een Teddy de familie opvrolijken. Ditmaal betrof het een schipperskees, opgehaald bij een dierenasiel aan het Houtensepad. Het was een allerliefst reutje.
Niet lang na zijn komst was hij tot mijn grote schrik ontsnapt. Iemand had de buitendeur laten open staan.
Ik heb werkelijk stad en land afgezocht om hem terug te vinden, wat niet lukte.
Een paar maanden na zijn verdwijning, zag ik hem plots opduiken in de buurt van de begraafplaats aan de Gansstraat. Vlakbij het asiel waar hij vandaan kwam.
Dit deel van de Gansstraat in Utrecht wordt ook wel “het luie end” genoemd. Tegenover de begraafplaats bevindt zich namelijk een gevangenis. Een huis van bewaring voor gevaarlijke misdadigers met een terbeschikkingstelling.
Het arme beestje was helemaal verwilderd. Toen hij mij zag, was hij snel de begraafplaats opgerend.
Ik heb mijn longen uit mijn lijf gelopen, slalommend tussen de grafzerken door, om hem te achterhalen. Jammer genoeg kon ik hem net niet te pakken krijgen. Hij was nu voorgoed verdwenen.
Nog steeds heb ik af en toe een nare droom dat een van mijn honden verdwaald is. Als ik hem dan bijna te pakken heb, ontglipt hij mij weer.

Na de twee Teddy’s volgden twee Marsja’s. Dat waren beide schapendoezen.
Wat ik me nog wel regelmatig afvraag is, waarom mijn ouders mijn oudste broer Theodorus eveneens liefkozend Teddy noemden.
Zouden ze zo weinig fantasie hebben gehad? Of kwam het omdat Theodorus godsgeschenk betekende? Waren ze zo verguld met dit hemelse presentje dat ze zowel mijn broer als de honden zo noemden?
Per slot van rekening beschouwt men binnen de christelijke geloofsgemeenschap ieder kind als een godsgeschenk. Om je kind dan ook nog eens “Godsgeschenk” te noemen, vond ik altijd wat hoogmoedig.
Zeker toen broer Teddy jaren later eens vergeten was het grote olievat in de kelder goed af te sluiten en de hele wintervoorraad aardappels onder de petroleum stond. Toen waren de “godverdegodvers”, uitgestort over het krullenbolletje van het cadeautje van God, niet van de lucht. Kennelijk waren mijn ouders toen even niet in den Heere.
Waar de andere kinderen bij hun geboorte genoegen moesten nemen met  slechts een naam, kreeg Teddy mijn naam er als bonus bij: Theodorus Albertus. Tja, onderscheid moet er zijn, zullen mijn ouders wel gedacht hebben.

De eerste Marsja was een flinke blonde schapendoes. Hij was een reu en befaamd om zijn scheten.
Zo ook een dame op leeftijd, die eens de verjaardag van mijn zuster kwam opluisteren.
In een alsmaar benauwder wordende kleine, klamme, goed geïsoleerde huiskamer, produceerde die dame de ene na de andere luide wind. Onder dit geweld, keek ze mij zonder enige gêne aan. Zonder dat ik ernaar informeerde, gaf ze als reden dat ze aan de medicijnen was.

Het schetenongemak bij Marsja was aan een heel andere oorzaak toe te schrijven. En wel aan het eten dat hem dagelijks werd voorgeschoteld. Zijn maaltijden bestonden namelijk regelmatig uit gekookte pens en uierboord. Men beweert dat dat eigenlijk het beste voedsel voor een hond is. Hij zal het eten wel te gulzig naar binnen hebben geschrokt. Dat leidt gedurende de spijsvertering tot gasvorming.
Anders dan hem gezond voedsel aan te bieden, moet ik tot mijn diepe schaamte bekennen dat ik Marsja een keer, in heimelijke samenwerking met mijn jongere broer Charles, een portie Brinta, aangelengd met petroleum, te eten heb gegeven. Dit gebeurde stiekem aan de achterzijde van ons tenthuisje in Het Grote Bos.
Gelukkig heeft het arme dier er weinig last van ondervonden. Hij heeft deze mix waarschijnlijk direct uitgekotst.
Wat kunnen kinderen toch loeders zijn. Als verzachtende omstandigheid mag misschien aangevoerd worden dat we ooit, door toedoen van broer Teddy, zelf een winter lang aardappels met een petroleumsmaak hebben moeten eten.

De tweede Marsja was een bruine schapendoes. Met hem heb ik weinig meegemaakt. Hij maakte deel uit van het gezin in een periode dat ik heel weinig thuis was. Het enige wat me nog duidelijk voor de geest staat is, dat hij overleed op de dag dat mijn dochter Florence geboren werd.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/