Reintje slaat toe

REINTJE SLAAT TOE
Geschreven door Bert Plomp

Het is alweer een jaar geleden dat ik bij mijn farm house arriveerde en niet opgewonden begroet werd door mijn kippen. Geen driftig heen en weer gedribbel, geen opgewonden gekakel.
Ik vreesde dat er iets niet in de haak was. Mijn vrees werd bewaarheid toen ik naar de kippenren liep.
Geen kip te bekennen, behalve de romp van een kip, waarvan de kop afgebeten was. Het beestje was tot aan zijn nek door het gaas getrokken.
Terwijl ik het hele gebied binnen de ren afzocht, kwam luid kakelend een kip uit het bos aan rennen. Zij was de enige van de zeven kippen, die de aanslag had overleefd. Het was dezelfde klip die al eens eerder een zware aanval had doorstaan. Toen Maggie, een van onze border collies, zich over haar had ontfermd.
Bedroefd heb ik de stoffelijke resten van de onthoofde kip begraven. Van de overige kippen heb ik nooit meer iets gezien of vernomen.
Hoewel de ren behoorlijk goed beveiligd was tegen indringers als vossen en marters, heb ik de ren nog verder vergroot en tot zeker tweemeter hoog gaas gespannen. Om te beginnen schapengaas en daar overheen nog eens fijn kippengaas. Aan de grond de afzetting goed ingegraven en met flinke stenen afgerond. Het centrale gedeelte, waarbinnen het kippenhok zich bevindt, was al extra beveiligd, maar dat heb ik toen ook nog eens met gaas overdekt tegen aanvallen uit de lucht.
Het kippenhok, zeg maar kippenvilla, vormt het centrum van een ren die thans zo’n 300 vierkante meter groot is. Alle naaldbomen, die zich binnen de ren bevinden, hen ik aan de onderaan takvrij gemaakt. Kippen houden van bomen, om in te klimmen. Vandaar.
Tegenover al deze inspanningen staat, dat ik dagelijks verse eitjes mag ontvangen en het plezier beleef aan het horen van gelukkige, kakelende kippen.
Kippetjes die niet meer leggen, blijven gewoon bij mij wonen. Die hebben al hun best gedaan.
Het is natuurlijk jammer dat vossen, en mogelijk marters, mijn kippenvolkje drastisch heeft uitgedund. Maar in de natuur is het nu eenmaal eten en gegeten worden. Ik kan me verenigen met de gedachte dat moeder vos en haar welpjes langs zijn gekomen om hun honger te stillen.
Inmiddels is het kippenvolk weer enigszins op peil. Er lopen nu vier gevederde vriendinnen rond. Zelfs met het uitdelen van eieren aan buren, was het consumeren van eieren van zeven kippen toch wel een beetje te veel van het goede.
Als je zo bezig bent met het wel en wee van kippen en dieren in het algemeen, dan valt het weer rauw op je dak als je het nieuwslezeresje, met haar strak naar voren staande tietjes, emotieloos hoort zeggen op het journaal dat er weer 215 duizend kippen zijn geruimd.
Keer op keer vraag ik me af in wat voor een gewetenloze machinerie we zijn beland. Het ruimingsbericht komt bijna over als: “Kijk eens, dat hebben we in no time toch maar weer geflikt”.
De manier waarop we met andere warmbloedige wezens omgaan, is werkelijk ten hemel schreiend. En nu ik het toch over de hemel heb, vind ik dit “menselijk” handelen eens temeer aantonen dat de mens goddeloos bezig is. Ik geloof er namelijk geen snars van dit omgaan met dieren. Gods idee w as. Het is gewoon een smerige overlevingsstrategie van dieren op twee boten, die zich mensen noemen.
Vroeger of later gaan we allemaal dood. Het enige wat mij aantrekt in de dood is, dat ik geen getuige meer hoef te zijn van al dat dierenleed.

REINTJE SLAAT TOE

REINTJE SLAAT TOE
Geschreven door Bert Plomp

Het is alweer een jaar geleden dat ik bij mijn farm house arriveerde en niet opgewonden begroet werd door mijn kippen. Geen driftig heen en weer gedribbel, geen opgewonden gekakel.
Ik vreesde dat er iets niet in de haak was. Mijn vrees werd bewaarheid toen ik naar de kippenren liep.
Geen kip te bekennen, behalve de romp van een kip, waarvan de kop afgebeten was. Het beestje was tot aan zijn nek door het gaas getrokken.
Terwijl ik het hele gebied binnen de ren afzocht, kwam luid kakelend een kip uit het bos aan rennen. Zij was de enige van de zeven kippen, die de aanslag had overleefd. Het was dezelfde klip die al eens eerder een zware aanval had doorstaan. Toen Maggie, een van onze border collies, zich over haar had ontfermd.
Bedroefd heb ik de stoffelijke resten van de onthoofde kip begraven. Van de overige kippen heb ik nooit meer iets gezien of vernomen.
Hoewel de ren behoorlijk goed beveiligd was tegen indringers als vossen en marters, heb ik de ren nog verder vergroot en tot zeker tweemeter hoog gaas gespannen. Om te beginnen schapengaas en daar overheen nog eens fijn kippengaas. Aan de grond de afzetting goed ingegraven en met flinke stenen afgerond. Het centrale gedeelte, waarbinnen het kippenhok zich bevindt, was al extra beveiligd, maar dat heb ik toen ook nog eens met gaas overdekt tegen aanvallen uit de lucht.
Het kippenhok, zeg maar kippenvilla, vormt het centrum van een ren die thans zo’n 300 vierkante meter groot is. Alle naaldbomen, die zich binnen de ren bevinden, hen ik aan de onderaan takvrij gemaakt. Kippen houden van bomen, om in te klimmen. Vandaar.
Tegenover al deze inspanningen staat, dat ik dagelijks verse eitjes mag ontvangen en het plezier beleef aan het horen van gelukkige, kakelende kippen.
Kippetjes die niet meer leggen, blijven gewoon bij mij wonen. Die hebben al hun best gedaan.
Het is natuurlijk jammer dat vossen, en mogelijk marters, mijn kippenvolkje drastisch heeft uitgedund. Maar in de natuur is het nu eenmaal eten en gegeten worden. Ik kan me verenigen met de gedachte dat moeder vos en haar welpjes langs zijn gekomen om hun honger te stillen.
Inmiddels is het kippenvolk weer enigszins op peil. Er lopen nu vier gevederde vriendinnen rond. Zelfs met het uitdelen van eieren aan buren, was het consumeren van eieren van zeven kippen toch wel een beetje te veel van het goede.
Als je zo bezig bent met het wel en wee van kippen en dieren in het algemeen, dan valt het weer rauw op je dak als je het nieuwslezeresje, met haar strak naar voren staande tietjes, emotieloos hoort zeggen op het journaal dat er weer 215 duizend kippen zijn geruimd.
Keer op keer vraag ik me af in wat voor een gewetenloze machinerie we zijn beland. Het ruimingsbericht komt bijna over als: “Kijk eens, dat hebben we in no time toch maar weer geflikt”.
De manier waarop we met andere warmbloedige wezens omgaan, is werkelijk ten hemel schreiend. En nu ik het toch over de hemel heb, vind ik dit “menselijk” handelen eens temeer aantonen dat de mens goddeloos bezig is. Ik geloof er namelijk geen snars van dit omgaan met dieren. Gods idee w as. Het is gewoon een smerige overlevingsstrategie van dieren op twee boten, die zich mensen noemen.
Vroeger of later gaan we allemaal dood. Het enige wat mij aantrekt in de dood is, dat ik geen getuige meer hoef te zijn van al dat dierenleed.

Aflevering 4: Waar koop je een condoom?

WAAR KOOP JE EEN CONDOOM?
Geschreven door Bert Plomp

Op een van mijn keldertochten door het centrum van Utrecht had ik een mooie blondine, Ellen genaamd, ontmoet. Ze leek op een van de dames, maar dan wel een geklede versie, uit de fotoboekjes in het geheime kistje.
Haar vader was tandarts. Je zou denken: “Met zo’n meisje kun je gerust thuiskomen”. Toch niet, want mijn ouders waren nog lang niet zo ver dat je je veroveringen mee naar huis kon “slepen”.
Hoewel mijn ouders zich nooit echt hebben uitgelaten over wat je wel niet kon oplopen als je op jonge leeftijd seksueel iets had met een meisje, dreigde dat blindheid verre te overstijgen.
De onmogelijkheid om een meisje in je kamer thuis te ontvangen, maakte een intiem contact veel gecompliceerder.
Mijn blondine en ik kenden elkaar inmiddels een aantal weken en we dachten allebei “nu moet het maar eens gebeuren”. Ik had dagenlang nagedacht over hoe het precies moest. Met de onderlichamen tegen elkaar duwen, stond mij duidelijk voor ogen, maar het gebruiken van een condoom was een allereerste vereiste. Hoe kom ik in hemelsnaam aan een condoom, ik kon moeilijk naar “Tante Greet” gaan, de drogist bij ons in het Lodewijk Napoleonplantsoen, en bij haar een voorbehoedsmiddel bestellen. Tante Greet was namelijk veel te goed bevriend met mijn ouders om dit zonder risico te kunnen doen.
Gelukkig had ik een oudere vriend, te weten Gerrit. Gerrit woonde op de Koningsweg en hij was bestekzoeker bij de Malba houthandel in de Gansstraat. Je zou kunnen denken dat een bestekzoeker iets van doen heeft met het keurig inrichten van een tafel voor een diner. Dat is niet zo: zijn taak is het bijeenzoeken van een bestelling van hout.
Gerrit had hoe dan ook ervaring in het op bestelling vergaren van zaken en omdat hij 10 jaar ouder was dan ik, was hij ook gerechtigd, zonder verdacht over te komen, een condoom te bestellen.
Aldus geschiedde.
Samen met Ellen trok ik op een avond in november 1964 erop uit om voor de eerste keer echt seks te hebben. Op eerbiedige afstand werden wij gevolgd door Gerrit met het condoom in z’n broekzak. We togen naar het viaduct over de Kromme Rijn, niet ver gelegen van het Stadion Galgenwaard, alwaar onze “amoureuze daad” zich moest voltrekken.
Het was november en het was guur en nat. Onder het viaduct stond je weliswaar droog, maar het was natuurlijk verre van ideaal om er iets romantisch van te maken. Thans weet ik maar al te goed hoe teder de aanpak moet zijn om “de daad” tot volle tevredenheid van beide geliefden te voltooien.
Ondanks alle slechte omstandigheden, overhandigde mijn secondant in het spel op exact het juiste moment het voorbehoedmiddel en verdween vervolgens kies in het duister.
Het omdoen van het condoom was natuurlijk geen al te ingewikkelde zaak, des te ingewikkelder het vervolg.
Het werd één groot fiasco.
Na een half uur “vruchteloos” wederzijds geduw met het onderlichaam, hielden we het voor gezien en begaven we ons weer naar de bewoonde wereld. Het condoom hield ik voor alle zekerheid nog maar even om die avond. Ik weet niet zeker of dat was omdat ik nog een nieuwe poging overwoog of dat ik 100% zeker wilde zijn dat Ellen niet alsnog zwanger zou geraken. Je hoorde zulke bizarre verhalen in die tijd.