Aflevering 3: VIM en oudemannenzeik

VIM EN OUDEMANNENZEIK
Geschreven door Bert Plomp

De laatste beheerder die ik op Het Grote Bos heb meegemaakt, was ene Bert Post: Een gesjeesde onderwijzer uit Noord-Holland.
Post was een heel achterbaks manneke oftewel helemaal het type dat voldeed aan het RCN-profiel en derhalve uitermate geschikt om leiding te geven aan een camping.
Onze nieuwe kampbeheerder profileerde zich vooral door allerlei voor HGB-bewoners vervelende zaakjes af te wikkelen op tijdstippen dat die bewoners zelf afwezig waren. Hij liet dat dus bij voorkeur doen op doordeweekse dagen, op dagen dat een eerlijk mens aan het werk was. Daarbij werd hij bijgestaan door zijn half-debiele hulpje in het kwaad de terreinknecht “Nitwit”.
Niet lang na zijn aantreden had ik het al aan de stok met Post omdat ik in die tijd voorzitter was van de vereniging die de belangen van de bosbewoners behartigde. In opdracht van Post struinde zijn knechtje Nitwit regelmatig rond ons boshuisje om ons in de gaten te houden en waar mogelijk ons het leven zuur te maken.
Ooit gaf deze stoutmoedige beheerder de opdracht aan Nitwit om tijdens onze afwezigheid een stapel haardhout bij onze bungalow weg te slepen omdat die zogenaamd ontsierend was. Na juridische tussenkomst moest hij deze stapel weer afstaan.
Dat lelijke hulpje van hem heb ik eens de stuipen op zijn eigen lijf gejaagd. Toen ik op een dag in het weekend met een grote bijl hout aan het kloven was en hij weer eens bij onze bungalow opdook met een of ander treiterijtje, deelde ik hem mede dat als hij niet gauw opsodemieterde ik er geen probleem mee zou hebben, nu ik toch zo lekker aan het hakken was, om in één moeite door die lelijke kop van zijn romp te scheiden. Die boodschap was kennelijk duidelijk overgekomen, want daarna hebben we ‘m nooit meer gezien. Dat zal ook wel te maken hebben gehad met het feit dat hij kort daarna met pensioen is gegaan.
Om zijn baas ook eens te terroriseren, heb ik ooit overwogen, eveneens op een doordeweekse dag, ‘s nachts wat ruiten bij hem in te gooien, op een moment dat hij en zijn gezinnetje “Dynamisch aan het rusten waren, in het licht van de Bijbel”. Bijtijds realiseerde ik mij echter dat achter die ruiten mogelijk een nietsvermoedende mooie vrouw met een paar lieve kindjes lagen te slapen of, nog dramatischer, een onschuldige viervoeter de wacht hield.
Met ons vertrek naar Ierland een paar jaar later en met de verkoop van onze bungalow, was het probleem opgelost.
Toch kwam daarmee geen definitief einde aan mijn relatie met Het Grote Bos.
Ieder jaar, komende van de wintersport op de terugweg naar Ierland, huurden we voor een week een huisje op HGB om nog wat bezoekjes aan familie en vrienden af te leggen. We verbleven daar bepaald niet voor de geweldige service die HGB te bieden had, die lieden huldigen nog steeds het verwaande idee dat de klanten er voor hen zijn en niet andersom. Het was ook niet om de kwaliteit van de huisjes dat we er terugkwamen: de zure lucht van weleer was weliswaar verdwenen maar had plaatsgemaakt voor een penetrante lucht die het midden hield tussen de geur van VIM en de stank van oudemannenzeik.
Nog tien jaar hebben we dit jaarlijks bezoek volgehouden. In februari 2012 kwam er echter een abrupt einde aan, nadat we opnieuw kennismaakten met dat benepen klimaat van weleer.
Een aantal dagen voorafgaande aan ons HGB-verblijf, had ik een vergadering in Salzburg en verbleven we met onze twee border collies Maggie en Lizzy in een 5-sterren hotel aan de oever van de Salzach. Zoals gebruikelijk is in betere hotels, waren onze beide viervoeters van harte welkom. Bij binnenkomst in de lobby van het hotel renden ze direct onbekommerd op mijn collega’s af, om hen enthousiast te begroeten. Geen enkel probleem.
Komende van Oostenrijk en op weg naar Nederland, overnachten we ook altijd in ons favoriete klassieke hotel Der Schafhof in Amorbach. In “onze” kamer in Amorbach staan altijd bakjes met water en lekkere hapjes op Maggie en Lizzy te wachten.
Die winter was het zeer koud en er lag veel sneeuw op de weg en ook in het bos. We waren ongeveer de enigen die de moeite hadden genomen om onder die barre omstandigheden op HGB te verblijven.
Nadat we M&L naar de gehuurde bungalow hadden gebracht, gingen we boodschappen doen in Driebergen.
Toen we terugkeerden bij het huisje, kwam daar als een duveltje uit een doosje een individu uit de struiken zetten. Hij moet daar al enige tijd op de loer hebben gelegen. Dit individu had een velletje papier op zak, dat hij mij haastig in de handen drukte. Hierop stond geschreven dat ik me onverwijld moest melden op het kantoor: een handelwijze die me bekend voorkwam uit een despoot HGB-verleden.
De avond van onze aankomst in Nederland zouden we een etentje hebben bij vrienden en op weg daarnaartoe wipte ik even bij het kantoortje binnen.
Aanvankelijk ging ik ervanuit dat het de HGB-directie behaagde om mij een aantal welkom-vouchers te overhandigen voor een gratis pannenkoek of iets dergelijks. Tenslotte sloof je je als bungalowpark uit voor een vaste gast in een matig bezocht winterseizoen, althans zo’n opstelling verwacht je.
Het tegendeel was echter het geval. Het bleek dat het mannetje van het briefje, terwijl wij boodschappen deden, onze gehuurde bungalow binnengedrongen was en tot zijn grote schrik had vastgesteld dat zich aldaar twee honden ophielden in plaats van één, zoals geboekt. Jammer dat onze beide collies toen niet hebben gereageerd zoals ze normaal doen met dergelijke ongure types.
De administrateur in het kantoortje, handelend naar de instructies van zijn superieuren, verzocht mij de hondjes naar een kennel te brengen of anders terstond het bos te verlaten.
Na hem vriendelijk te hebben toegevoegd dat hij zijn eigen kindjes maar in kennel moest droppen, zei ik dat ik de volgende morgen wel zou terugkomen om de zaak tot ieders tevredenheid te regelen. Het was immers al 18:00 PM, er lag 20 cm sneeuw, het was ijskoud en we hadden er net 500 kilometer besneeuwde Autobahn opzitten. Zonder zijn reactie verder af te wachten, vertrokken wij de poolnacht in op weg naar het etentje.
Toen ik de volgende morgen de administrateur aanbood wat extra penningen te betalen voor de bijzondere overlast, veroorzaakt door mijn tweede viervoeter, weigerde de benepen ziel dat extraatje voor de kas van RCN hooghartig. Daarop eiste ik de vooruitbetaalde huursom terug en verliet Het Grote Bos nu voorgoed.
Wat een brutaliteit van die arrogante minkukels om onze hondjes, met de frisse geur van oceaanlucht tot diep in hun vacht geworteld, de toegang te weigeren tot die muffe krotten van hen.
Van klantvriendelijkheid hebben ze op HGB nog nooit gehoord, vroeger niet en heden evenmin. Ze vertonen nog steeds dat christelijke belerende gedrag van weleer.
In al die jaren dat we in Ierland woonden en in de winter daar een huisje huurden, hebben we nog nooit iets gehoord in de sfeer van: “Hartelijk welkom en wat zijn we blij dat U weer de weg naar onze camping heeft weten te vinden en dan nog wel in deze periode van het jaar, waarin we nauwelijks huisjes kunnen verhuren. Kunnen we nog iets extra’s voor U doen etc.”.
Neen, niets van dat alles. In tegendeel, meestal werd je na een lange vermoeiende reis geconfronteerd met een chagrijnig individu, dat zich uitgaf als administrateur. Een botte vent, die een vriendelijkheid uitstraalde, welke grote gelijkenis vertoonde met die van een Noord-Koreaanse grenswacht. Een grenswacht op een vroege maandagmorgen op wacht staande in de plensregen en lijdende aan chronische kiespijn.
Overigens bij die receptie werken ook enkele vrouwen, onder wie de partner van onze administrateur. In dit verband moet ik opmerken dat  zij wél haar best deed om vriendelijk over te komen. Misschien moeten ze haar maar promoveren naar de hoge post van haar man. Dan kan hij thuis wat dynamisch tot rust komen door bijvoorbeeld iedere dag de aardappeltjes te schillen in ‘t licht van de bijbel of van een schemerlamp.
Ik ben er “heilig” van overtuigd dat indien Jozef en zijn hoogzwangere Maria zich met hun huisdieren onder dezelfde barre winterse omstandigheden bij de HGB-receptie hadden gemeld, dan hadden ze dit voorbeeldige stel ook de poort gewezen, de Siberische koude ingestuurd. Dan had men de volgende dag het pasgeboren kindeke, vrijwel zeker doodgevroren, kunnen terugvinden ergens in de struiken langs de Hydeparklaan, zijnde de toegangsweg tot Het Grote Bos. Want dit type christelijke mensen heeft altijd de mond vol over barmhartigheid, maar in de praktijk zie je daar zelden een spoor van terug. Natuurlijk spreekt het wel weer in hun voordeel dat ze geen onderscheid maken tussen mijn gezelschap dat zich bij de receptie meldt en dat van Jozef en Maria.
Eenieder die dit leest, vraagt zich inmiddels wel af: “Beste Bert, hoe bestaat het dat je toch zo lang naar zo’n minderwaardig park bleef terugkeren?”.
Het antwoord op die terechte vraag is dat ik over een groot deel van mijn jeugd heel leuke herinneringen bewaar aan Het Grote Bos, ondanks alle ondervonden benepenheid of misschien juist wel dankzij de benepenheid van de zijde van  de diverse campingbeheerders. Maar al jaren werd het steeds moeilijker iets van die mooie sfeer van vroeger terug te vinden. Waar ooit ons geliefde zelfaangelegde badmintonveldje lag, groeien al jaren bosvreemde struiken en breek je je nek over al die lelijke sleurwagens. De prachtige zandvlaktes hebben plaatsgemaakt voor nog meer caravanveldjes. Sleurwagens alom dus, ook op mijn ooit zo favoriete meisjeskamp.
De hele zomer wordt daar, avond aan avond, tot diep in de nacht luidkeels gebarbecued en neemt men na afloop “gezellig” plaats rond een buiten opgestelde elektrische openhaard, waarin je met licht beschenen stukjes doek heen en weer ziet fladderen en waaraan kindjes zich niet kunnen branden want die haard geeft geen warmte. Nog triester is het wanneer men zich knus rond een tv-toestel heeft geschaard met daarop het beeld van een knappend haardvuur. Gezelligheid kent tegenwoordig geen grenzen.
Wat ben ik blij dat ik de tijd van de kampvuurkuil nog heb meegemaakt, met in het midden een groot heerlijk ruikend knetterend en spetterend vuur. Waar je je in het donker nog wat dichter tegen je vriendinnetje aandrukte.
Het bos is ook eigenlijk al lang geen bos meer. Meer dan de helft is gekapt voor meer en meer sleurkarren en alsmaar muffer ruikende huisjes. Zomers zie je ook zo goed als geen tent meer staan met een lekker ruikende walmende stormlantaarn aan de tentstok.
Sinds een paar jaar is de emancipatie ook op Het Grote Bos doorgedrongen. Een vrouw met waarschijnlijk sterke knieën zwaait er nu de scepter. Misschien is het wel zo’n blonde atletisch gebouwde vrouw van Germaanse komaf en misschien doet ze zomers wel haar rondjes over de camping met een zweepje in haar rechterhand. Ik moet er toch nog weer eens gaan kijken.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/