Toneel op zolder

TONEEL OP ZOLDER

In mijn vroege jeugd in Utrecht, ik spreek dan over de jaren vijftig van de vorige eeuw, speelden vrijwel alle kinderen buiten op straat. Zelfs de bussen van het gemeentelijk vervoerbedrijf GEVU, die door onze buurt af en aan reden, weerhielden ons er niet van op straat te blijven spelen. Voor zover mij bekend, is er nooit een van mijn vrienden door een “aanvaring” met zo’n bus ernstig gewond geraakt.

Voetballen was altijd bezigheid nummer één. Daarnaast deden we allerlei andere spelletjes met de bal. Een van die spelletjes noemden we “stoepranden”. Bij dit spelletje stelden partijen zich aan weerskanten van de straat op en moesten proberen de bal direct tegen de stoeprand aan de overzijde te gooien en vervolgens de terugstuitende bal weer op te vangen.

Een ander spel met de bal heette “de pineut”. Geloot werd er om te beginnen wie de pineut zou zijn. Een van de anderen, meestal iemand die over een krachtig schot beschikte, moest vervolgens de bal vanaf een centraal punt zover mogelijk weglellen. Gedurende de tijd dat de pineut de bal moest ophalen en terugleggen op het centrale punt, werd de rest van de groep geacht zich zo goed mogelijk te verstoppen ergens in de buurt. De tijd om je te verstoppen was verstreken zodra de pineut in kwestie de bal had teruggelegd op de plek waar deze vandaan was gelanceerd. Vanaf dat moment moest de arme jongen c.q. het arme meisje iedereen gaan zoeken en zodra iemand was ontdekt dan moest de pineut dat bij de bal kenbaar maken onder het luid uitroepen van de naam van de ontdekte persoon en zijn schuilplaats. Mocht echter iemand op enig moment, terwijl de bal onbewaakt was, de bal weer weglellen, dan kon de pineut weer helemaal overnieuw beginnen. Kortom als je de pineut was, kon je erop rekenen dat je je een paar uur het vuur uit de sloffen moest lopen. In die tijd kwam obesitas dan ook niet voor. Ik heb wel eens een wat dikker uitgevallen jongen of meisje gezien, waarschijnlijk iemand die nooit de pineut was geweest.

Verder werden er heel veel kilometers afgelegd op de fiets. We legden in die dagen sowieso alles wat op enige afstand lag op de fiets af, weer of geen weer. Heel populair waren de wielerwedstrijdjes rond het eerste blok: het eerste flatgebouw van een reeks van zes in onze buurt: het Lodewijk Napoleonplantsoen. Dat er tijdens zo’n verhitte strijd nooit een van ons onder een stadsbus is beland, mag echt een wonder heten.

Zelf metalen zwaarden maken was ook een geliefde bezigheid. Dit deden wij door grote spijkers op de spoorrails te leggen op de spoorbrug over de Kromme Rijn. Dit was des te spannender omdat deze brug gelegen was vlak naast de gevangenis aan de Gansstraat, waar psychisch gestoorde gevangenen nogal wel eens uitbraken door over de hoge muur aan de waterkant te klimmen. Dat is dacht ik werkelijk ook wel eens gebeurd, het gebeurde in ieder geval menigmaal in onze fantasie. Terwijl wij ons verdekt opstelden onder deze spoorbrug, was het wachten dan altijd op een zware stoomlocomotief die over de brug en dus over de spijkers denderde, hetgeen onder de metalen brug een gigantisch kabaal teweegbracht. Daarnaast werd onze fantasie nog eens extra geprikkeld door het overweldigende gestamp van de stoommachine van de locomotief en het vrijkomende mengsel van rook en stoom, waarin we gehuld werden. We hadden altijd het idee dat de locomotief door ons toedoen ieder moment kon ontsporen om vervolgens in de Kromme Rijn te storten. Nadat de trein uit het zicht was verdwenen, kwamen we uit onze schuilplaats tevoorschijn om onze buit van de rails op te pikken. De spijkers waren door de locomotief zo plat als een dubbeltje gereden, ze waren gloeiendheet en hadden de vorm van een zwaard aangenomen.

Ik heb altijd een enorme fascinatie gehad voor locomotieven en in het bijzonder voor de door stoom aangedreven exemplaren. In die periode zagen we ze regelmatig voorbijkomen bij de spoorwegovergang Gansstraat-Koningsweg. Soms kwamen ze van twee kanten tegelijk, op weg naar en komende van het Maliebaanstation: het huidige spoorwegmuseum.

Wat een spektakel was dat en wat een indruk heeft dat op mij gemaakt. In mijn leven heb ik diverse psychologische testjes moeten ondergaan. Dat is in mijn geval natuurlijk vrij normaal. De eerste test die ik onderging was bij de Rijksuniversiteit aan het Domplein. Het is niet zo vreemd dat de uitslag was dat ik later wel eens machinist zou kunnen worden.

Buiten spelen deden we zomer en winter, van ‘s morgens vroeg totdat het donker werd, met een korte onderbreking voor eten en schoolbezoek.

Binnen spelen deden we ook wel maar dan uitsluitend bij iemand die daar ruimte voor had. In het Lodewijk Napoleonplantsoen kwamen niet veel huizen daarvoor in aanmerking. De meerderheid van mijn vrienden woonde in een drie- of vierkamerflat. In zo’n flat spelen hield meestal in dat je onder het scherp toeziend oog van de desbetreffende moeder op de vloer van de huiskamer een klein spelletje kon spelen uit het “Toon Hermans” sinterklaasassortiment. Dus dat was een spelletje als: “Hengelsport”, “Hoedje Wip” of “Mens Erg Je Niet”. Vooral Hengelsport was een van de meest geestdodende spelletjes waaraan je als argeloos kind in die jaren kon worden blootgesteld. Bij deze zogenaamde sport werd ieder meespelend kind uitgerust met een hengeltje: een kort bamboestokje met aan het topje een nylon lijntje bevestigd, waaraan aan het einde een uitermate zwak magneetje bengelde. Gewapend met zo’n visuitrusting moest je tezamen met de andere kinderen in een soort kartonnen aquarium hengelen naar een aantal zich op de bodem van dit aquarium bevindende kartonnen visjes met een ijzeren ringetje door de neus. Het aquarium was niets anders dan een recht opstaande kartonnen kubus, die zowel van boven als van onderen open was en waarvan de zijkanten zeer geraffineerd gedecoreerd waren met de afbeeldingen van visjes. Wellicht overbodig hier te vermelden dat het uiteindelijk ging om zoveel mogelijk visjes op te vissen. Heel irritant was het dat wanneer je beet had, het visje halverwege de rand van het aquarium weer terugviel omdat het magneetje het niet langer trok.

Een andere geliefde bezigheid was het maken van voorwerpen voor de jaarlijkse tentoonstelling op school, maar vooral het oefenen voor het schooltoneel. Voor de kerstviering op school, voorafgaande aan het begin van de kerstvakantie, werd iedere klas gevraagd naar eigen fantasie een toneelstukje te bedenken en tijdens de viering op te voeren. Voor het oefenen voor deze toneeluitvoering, waren we destijds al gauw aangewezen op het huis en de medewerking van de ouders van mijn vriend Joop de Bode. Joops ouders hadden een zogeheten “eengezinswoning”: een woning die geacht werd een doorsneegezin te kunnen herbergen. De vader van Joop was leraar en zijn moeder was altijd bereid onze creativiteit te stimuleren en het huis daarvoor open te stellen en dan in het bijzondere de zolderverdieping van het pand. Daar kwam nog bij, als het om toneelspelen aankwam, dat de moeder van Joop zelf acteerde en wel bij een amateurtoneelgezelschap. Toneelstukken regisseerden we zelf en het oefenen vond bijna altijd plaats op de zolderverdieping van familie De Bode. De diverse oefensessies eindigden meestal in een gigantische chaos, waarbij de kleding van Joops ouders, met inbegrip van de lingerie van de vrouw des huizes, over de hele zolder verspreid lag en de zolder onherkenbaar verbouwd was. De moeder van Joop – het was een schat van een mens – moet veel geduld hebben gehad, want het kwam zelden voor dat het toneelgezelschap een gesloten deur bij haar vond.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/