Aflevering 2: De onderzoekskamer

 

DE ONDERZOEKSKAMER.

In de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw woonden wij in het Lodewijk Napoleonplantsoen in Utrecht. Aanvankelijk woonden we driehoog in het eerste blok met zes personen in een kleine vierkamerflat en keken wij neer op, en ook weer op tegen, een zeskamerflat in het tweede blok, bewoond door twee personen: een arts en zijn gemalin. Ik weet het niet zeker, maar zijn naam was dacht ik Fokker, wat later in dit verhaal een diepere betekenis zal krijgen. Dokter Fokker had een florerende praktijk in het Lodewijk Napoleonplantsoen. De flat die hij en zijn partner bewoonden, telde zes kamers. Daarvan vier op de eerste etage en twee op de begane grond: de praktijkruimte, bestaande uit de spreekkamer aan de voorkant en de onderzoekskamer aan de achterzijde van de flat. Als wij met z’n zessen naar beneden op die flat keken, hadden we toch wel de “p” in over het feit dat wij het met vier kamertjes moesten doen en zij, met z’n tweeën, met zes. Maar okay, Fokker was een gerespecteerde arts en pa was een ex-heilssoldaat en, in die dagen, slechts een aankomend verzekeringsagent. Naast “onze” huisarts woonde ter linkerzijde de familie Wilstra en ter rechterzijde de familie Wink.

In het eerste blok van het Lodewijk Napoleonplantsoen waren aan de pleinzijde, de voorkant, tal van winkels gevestigd. We beschikten in die dagen – jaren 50-60 vorige eeuw – over een drogisterij onder leiding van tante Greet, een sigarenboer annex postagentschap met meneer en mevrouw Van den Akker aan het roer, een kruidenier Van der Rijst, een melkboer Van Maurik, Marja Manufacturen en ten slotte nog een andere boer, een groenteboer Stroes geheten. De supermarkt van tegenwoordig is natuurlijk heel comfortabel maar die winkeltjes van toen waren heel speciaal en zeer klantvriendelijk. Hoe klein je aankoop ook was, als kind kreeg je altijd een kleine versnapering na het afrekenen. Wat tegenwoordig als een heel moderne service geldt: boodschappen thuis laten bezorgen, was vroeger de normaalste zaak van de wereld.

Mijn oudere broer Theo had het al op jonge leeftijd helemaal in zich, die klantvriendelijkheid. Hij leverde de bestellingen af, die menigmaal van vierhoog naar beneden geschreeuwd werden, op de dagelijkse ronde van de melkboer die hij assisteerde. Hij werd voor die diensten overigens rijkelijk financieel gecompenseerd. Op een doorsnee zaterdag verdiende hij toch al gauw 50 cent voor dit sympathieke werk en hij hield er ook nog een goede fysieke conditie aan over. Want eenmaal vierhoog aangekomen met het bestelde, bleek hij vaak over onvoldoende wisselgeld te beschikken en kon hij het traject op en neer, beter gezegd: neer en op en neer, nogmaals afleggen.

Als je tegenwoordig de term “even achterom gaan” bezigt, wordt dat al gauw seksueel opgevat. In die tijd was “achterom gaan” een heel gebruikelijke en fatsoenlijke bezigheid en had niets met seks van doen. Toentertijd sloten de winkeliers om 18:00 PM de voordeur. Omdat ze natuurlijk daarna nog even bezig waren met het tellen van de dagopbrengst en het opnieuw vullen van de schappen, was er nog tot zeker een half uur na sluitingstijd licht in de zaak. Zolang dat licht scheen, was het gebruikelijk dat, als je op het laatste moment nog iets nodig had uit het assortiment van de desbetreffende wederverkoper, je even snel achterom ging, oftewel via de achterdeur de winkel binnenglipte en je bestelling deed en daarna cash afrekende dan wel het verschuldigde bedrag “in ‘t boekje liet opschrijven”. Dit boekje was een soort ouderwetse vorm van een gecodeerde administratie”: het hierin, in een bijna niet te kraken code genoteerde, was meestal volstrekt onleesbaar en gaf bij het afrekenen aan het einde van de week nog weleens aanleiding tot discussie.

Onze eerdergenoemde huisarts Fokker was in zekere zin ook een winkelier. Ook hij had een “achterom” en wel naar zijn praktijkruimte, in het bijzonder naar zijn onderzoekskamer, welke kamer was voorzien van allerhande praktische toestellen en een soort bed. Deze onderzoekskamer was wel minder verlicht dan eerdergenoemde winkels en je moest je na de officiële sluitingstijd voor de toegang ertoe door de gemeentelijke groenvoorziening: een hoge heg, heen worstelen. Overdag zocht de alledaagse patiënt de toegang tot de praktijk via de hoofdingang aan de voorzijde van de flat. Mevrouw Wilstra echter, de buurvrouw van dokter Fokker, bezocht de arts bij voorkeur na sluitingstijd en wel achterom. Het was de omwonende buren opgevallen dat zij regelmatig, terwijl de aardappeltjes op het vuur stonden en nog voordat de heer Wilstra van een dag noeste arbeid wederkeerde, nog even snel bij dokter Fokker achterom binnenwipte om zich voor vage klachten nog eens grondig te laten onderzoeken. Toen dit achterom helpen van een vrouwelijke patiënt een zekere grens had overschreden, verliet Mw. Fokker het Lodewijk Napoleonplantsoen en bleef onze huisarts alleen in zijn praktijk achter.

Mw. Wilstra had inmiddels eieren voor haar geld gekozen en was ineens volledig genezen van haar chronische klachten en bijzonder trouw aan haar man geworden. Fokker heeft zich nadien met zijn praktijk nog enige tijd staande weten te houden, maar moest het als “schuldig gescheiden man” – in die tijd een individu waar je met een grote boog omheen liep – uiteindelijk afleggen tegen de negatieve publieke opinie en vertrok met onbekende bestemming. Ons geluk was dat daardoor deze zeskamerflat vrijkwam en dat wij erin konden trekken, een geweldige weelde. De toenmalige onderzoekskamer werd aan mijn jongere broer Charles en mij toegewezen en heeft nog jaren als zodanig gediend.

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/