Aflevering 5: Het is bal op de afdeling Wiskunde

HET IS BAL OP DE AFDELING WISKUNDE
Geschreven door Bert Plomp

De medewerkers van de Afdeling Wiskunde, aan wie mij de leiding was toevertrouwd, waren allemaal jongens van mijn leeftijd en net als ik, nog lang niet “tot rust gekomen”.

We waren met z’n zessen: Louis, Johan, Carlo, Frans, Rolf en ik.

Naast onze dagtaak bij de Zwolsche Algemeene in Utrecht, studeerden we bijna allemaal actuariële wetenschappen. Carlo had echter niet zoveel op met wiskunde, hij was meer van de klassieke talen en een echte gymnasiast. Rolf was geen volwaardig lid van de afdeling: hij was van de buren, van de polisafdeling, maar vertoefde vrijwel altijd in ons midden.

Mijn collega’s en ik hebben daar letterlijk en figuurlijk een waanzinnige tijd beleefd. Een periode met taferelen die bepaald niet onderdeden voor die van de bekende tv-serie “Debiteuren Crediteuren”. Hoewel, Sinterklaas is bij ons op de afdeling nooit verkracht.

Het grootste deel van de dag werd er echter hard gewerkt, maar tussen de werkzaamheden door en aan het einde van de dag was er ook ruimte voor plezier en ontspanning.

Er werd bijvoorbeeld regelmatig op de afdeling gevoetbald. Strafschoppen nemen was heel populair. Er werd dan snoeihard op het doel van Carlo geknald en als doel diende één van de wanden die onze afdeling scheidde van de andere.

Wanneer hun chef even afwezig was, stonden de medewerkers van de polisafdeling tijdens zo’n partijtje op tafels en stoelen om door het glas aan de bovenkant van de scheidingswanden onze verrichtingen gade te slaan.

Ene Wim was de chef van die afdeling. Een echte ouderwetse chef, die zijn ogen en oren regelmatig niet kon geloven indien hij gewaar werd van wat er bij ons allemaal gaande was. Hij kon het evenmin appreciëren dat hij zijn ondergeschikten regelmatig als toeschouwers betrapte.

Op de wiskundeafdeling werd volop gerookt en ook wel geblowd. Aan het einde van de werkdag werden in de regel de mooiste meisjes van het bedrijf op de afdeling uitgenodigd voor een drankje.

Carlo werd om de haverklap uitgezonden om Chinese maaltijden en allerlei andere happen op te halen en om kaarten voor popconcerten te arrangeren. Carlo vond het allemaal wel best.

Terwijl wij de wiskundige berekeningen uitvoerden was Carlo regelmatig aan het rondstappen in het Centrum van Utrecht, belast met zeer uiteenlopende opdrachten.

Het gebouw van de ZA was 20 etages hoog en van de bovenste tot de onderste etage voorzien van airconditioning. Dat hield jammer genoeg ook in dat er geen direct contact met de buitenlucht mogelijk was. Wij vonden dat bepaald niet ideaal.

Er was op de afdeling wel een kastje waarin een sleutel hing. Een sleutel waarmee je in geval van nood, na het inslaan van het raampje van het kastje, de buitendeur naar een klein balkonnetje kon openen. De conciërge, die ons nooit helemaal vertrouwde, werd op een dag geconfronteerd met de mededeling dat het glas van het bewuste sleutelkastje bij het verplaatsen van de bureaus gesneuveld was en of hij zo vriendelijk zou willen zijn een en ander te repareren. Ruim voordien hadden we Carlo op pad gestuurd om een kopie van de begeerde sleutel te laten maken.

Vanaf dat moment konden wij frisse buitenlucht het kantoor laten binnenstromen wanneer het ons beliefde.

Eens, verkerende in een mallotige bui, leek het ons wel leuk om, via het voeren van brood, een heel gezelschap meeuwen naar binnen te lokken en die, eenmaal binnen, de afdeling van Wim op te jagen.

Het is moeilijk voor te stellen, maar we hebben zeker een jaar of drie jaar dit feest zo kunnen voortzetten: het was sowieso een gekke tijd en we verrichtten goed werk in de ogen van de directie.

Het feest kwam ten einde nadat we, vergezeld door onze eigen meisjes, in het jaar 1976 naar het Europese kampioenschap voetbal in Joegoslavië waren geweest.

Carlo had weliswaar de kaartjes geregeld, maar bleef zelf liever in Utrecht op de afdeling passen en in het bijzonder vooral op zijn voluptueuze vriendin van de polisafdeling. Hij had veel meer met haar op dan met voetbal.

We waren met z’n achten naar Joegoslavië afgereisd: Louis, Johan, Rolf en ik en vooral niet te vergeten de meisjes. Meisjes, die zich qua uiterlijk zo ongeveer in het mooiste stadium van hun aardse verblijf bevonden. Ze zagen er echt ravissant uit en niet in de laatste plaats mijn eigen gezellin. In en op weg naar Joegoslavië sloegen we daar een heel goed figuur mee. Door de vele zonne-uren in Opatija aan de kust van Joegoslavië doorgebracht, waren ze aan het einde van de reis met hun donkerbruin gebrande huid er alleen maar nog fraaier op geworden.

Onze trip begon echter in Zagreb, alwaar we met Oranje wel even Europees kampioen zouden worden.

We logeerden in een soort “presidentiële suite” van het Intercontinental hotel in het centrum van Zagreb.

Op de dag van de eerste wedstrijd van Oranje regende het onafgebroken pijpenstelen en ‘s avonds tijdens de wedstrijd regende het zelfs nog harder. De meegebrachte grote Nederlandse vlag was in no time als een dweil en er viel niet meer mee te zwaaien.

Er deden maar 4 teams mee aan het eindtoernooi. Oftewel de openingswedstrijd tegen Tsjecho-Slowakije was gelijk al een halve finale en die wedstrijd was werkelijk een ramp voor ons elftal.

De Engelse scheidsrechter, die nog slechter floot dan die van de finale van het WK in Zuid-Afrika, zond twee van onze coryfeeën, te weten Johan Neeskens en Willem van Hanegem, in de loop van de wedstrijd met een rode kaart naar het kleedlokaal. Het was daarom geen verrassing dat we de wedstrijd verloren in de verlenging met drie tegen één.

De kaartjes die we voor de finale in Belgrado hadden gekocht, waren voor ons daarmee op slag waardeloos geworden.

Volledig gedesillusioneerd kwamen we zeiknat terug in het hotel, alwaar we onze suite opzochten met het plan de volgende dag direct naar zonniger oorden aan de kust van Kroatië af te reizen.

De Nederlandse vlag hebben we ‘s nachts te drogen gehangen in de presidentiële badkamer om hem, zodra die droog was, diep op te bergen in één van de koffers.

De keuze omtrent het zonnige oord was gevallen op Opatija aan de Joegoslavische Riviera.

Toen we daar arriveerden, was het werkelijk bloedheet en was de ellende van de vorige dag snel vergeten. De andere halve finale werd, eveneens na verlenging, beslist in het voordeel van West-Duitsland. De Duitsers wonnen van gastland Joegoslavië.

In ons hotel in Opatija waren veel Duitsers gehuisvest. Dat zal zijn oorzaak wel hebben gevonden in het feit dat Kroatië tijdens de tweede wereldoorlog nogal goede betrekkingen onderhield met hun land. In zo’n omgeving kwamen de Duitsers na de oorlog gaarne op vakantie omdat ze er niet als oude vijanden werden behandeld.

Hetzelfde geldt ook voor Ierland. Duitsers zijn er zelfs tamelijk populair en zeker gedurende de tweede wereldoorlog omdat ze vochten tegen de Engelsen: in die tijd, en nog lang daarna, de aartsvijanden van de Ieren.

Hoewel het al ruim 30 jaar na de tweede wereldoorlog was, hadden wij in 1976 nog steeds weinig op met de edelgermanen. En al helemaal niet met Germanen die voor dag en dauw hun handdoek en die van de rest van de Duitse gemeenschap alvast drapeerden op de meest begeerde plekjes op het terras van het hotel aan de Adriatische zee.

De Duitse gemeenschap liet zich echter zelden vroeger zien dan nadat eerst een uitgebreid “Frühstück” was verorberd, oftewel pas om een uur of 10 des morgens.

Wij hadden ons ontbijt echter al veel eerder achter de kiezen en togen een uur eerder naar het terras om aldaar aangekomen, zonder blikken of blozen, de gehele verzameling zorgvuldig gedrapeerde handdoeken van onze oosterburen bijeen te rapen en op één hoop te gooien, ruim verwijderd van de begeerde plekjes aan het water.

De Duitsers, te verbouwereerd door zoveel brutaliteit, namen vervolgens genoegen met een plaatsje “op de tweede ring”.

Zoals gezegd, het Duitse elftal had dus ten koste van Joegoslavië de finale gehaald. In een grote ruimte van het hotel was speciaal voor de avond van de finale door het sympathieke management van het hotel een grote tv geplaatst en een geruim aantal stoelen voor de supporters.

Ook hier waren ver voor aanvang van de wedstrijd de eerste rijen stoelen alweer geclaimd door de Duitsers. Op alle stoeltjes was kleding gedropt om aan te geven: “Frei lassen, hier sitzt schon einer”.

Ofschoon wij eigenlijk niets te zoeken hadden bij deze wedstrijd, want er was geen Nederlander, zelfs geen Oranje grensrechter, bij betrokken, zijn we toch maar iets eerder dan het Duitse legioen plaats gaan nemen op de eerste rangen.

Men was bepaald niet gecharmeerd van onze actie, maar wat moest je als fatsoenlijke Duitser nu ondernemen tegen die langharige “Scheiß Käseköpfe”.

De sfeer tussen beide kampen werd er gedurende de wedstrijd niet beter op: wij steunden natuurlijk Tsjecho-Slowakije, de tegenstander van West-Duitsland.

De spanning bereikte een hoogtepunt toen ook deze wedstrijd niet beslist werd in de reguliere speeltijd en het uiteindelijk wederom op penalty’s nemen aankwam.

Bij iedere gemiste penalty van de Duitsers steeg er een gejoel op van de Nederlandse stoelen, uiteraard tot grote frustratie van de toeschouwers achter ons.

De Duitsers verloren met 5-3. Het was een zachte pleister op de Oranje wond.

Terug in Nederland, terug bij Carlo, pakten wij onze dagelijkse routine weer op.

In een uiterste poging van de directie om een beetje vat te krijgen op die “wiskunde jongens”, kregen wij op een “goede” dag ongevraagd een zekere personeelsuitbreiding van de afdeling.

Een senior-medewerker van “Organisatie” werd aan onze afdeling tijdelijk toegevoegd om eens te gaan inventariseren of al die ingewikkelde berekeningen die wij maakten niet geautomatiseerd konden worden. Bovendien moest hij zien te achterhalen hoeveel tijd zo’n berekening eigenlijk in beslag nam.

De man in kwestie werd zodanig tegengewerkt en in de maling genomen dat hij na twee weken helemaal afgepeigerd en zonder enig resultaat de afdeling weer verliet. Bij binnenkomst had de man al een “Hannibal Lecter” uiterlijk. Bij zijn vertrek zag hij er bepaald niet vrolijker uit. Onze onderzoeker dankte zijn waanzinnige voorkomen aan een algehele opknapbeurt van zijn gebit. Wat de tandarts in kwestie precies met hem heeft uitgespookt, was niet duidelijk, maar alles wat zich achter zijn lippen bevond, leek te zijn dichtgenaaid.

Hoe de man zijn dagelijks brood naar binnen werkte, hebben we jammer genoeg nooit mogen aanschouwen.

Niet heel lang nadien hebben we allemaal ZA verlaten en zijn onze eigen weg gegaan. Louis, Carlo, Johan, Rolf en ik hebben elkaar aanvankelijk nog wel eens getroffen maar uiteindelijk helemaal niet meer. Hiermede kwam een einde aan de start van mijn carrière en werd ik een stuk serieuzer en kon voor mij “het grote werk” pas echt een aanvang nemen.

 

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/