Aflevering 4: Geschikt of getikt

GESCHIKT OF GETIKT

Geschreven door Bert Plomp

Mijn eerste echte baantje was bij “Olvis”: een smeltzekeringenfabriek, gevestigd ergens aan de rand van de Lombok in het centrum van Utrecht.

De directeur van Olvis, mijn eindexamencijfers wis- en natuurkunde gezien hebbende, had hoge verwachtingen van mijn indiensttreding bij zijn firma. Wellicht wat voorbarig, had ik daarom het idee dat hij in mij wellicht een potentiële opvolger zag.

Men verlangde van mij dat ik, gestoken in een strak zittende witte laboratoriumjas, dagelijks vanuit het op de eerste etage gelegen laboratorium naar beneden afdaalde, om in de fabriek een partij smeltzekeringen bij de diverse aldaar werkende “dames” in te zamelen om die zekeringen vervolgens in het lab op hun kwaliteit te testen.

De meisjes uit de “Lombok” waren in die dagen, en tegenwoordig evenmin denk ik, bepaald niet op hun mondje gevallen en al helemaal niet verlegen van aard. Daarentegen was ikzelf nog wel wat bedeesd, zeker als het ging om door de wol geverfde vrouwen uit die buurt enigszins van repliek te dienen en al helemaal als het om seksueel getinte onderwerpen ging.

Als ik daar door de fabriek struinde en om de zekeringen vroeg, kreeg ik allerlei voorstellen toegeroepen, zoals goed uitziende argeloze vrouwen die te horen krijgen als ze een willekeurige bouwlocatie passeren.

Hoewel ik voordien wel enige ervaring had opgedaan met het andere geslacht, maar dan wel op een heel romantisch en subtiel niveau, wist ik niet wat me overkwam en daarop ad rem te reageren. Tenslotte was en ben ik nog steeds wel een beetje macho. Het was dus zaak om het oponthoud op de werkvloer zo kort mogelijk te houden en zo snel als mogelijk terug te keren naar het veilige laboratorium, alwaar ik in mijn eentje werkte en onopgemerkt tot mezelf kon komen.

Begonnen op een maandagmorgen 08:00 A.M. en de werkweek eindigend rond 12:00 P.M. de zaterdag daarop, dacht ik even binnen te wippen bij mijn superieur teneinde mijn eerste week noeste arbeid te evalueren.

Hoewel de directeur geen al te enthousiaste indruk maakte bij mijn binnenkomst, welke houding natuurlijk wel zo verstandig is als je de arbeidskosten laag wilt houden en de persoon in kwestie pas een week in dienst is, durfde ik het toch aan om naar een salarisverhoging te informeren. Zonder verder na te denken zei onze manager: “U hoeft maandag niet meer terug te komen”. Dat was dus het einde van mijn kortstondige loopbaan bij “Olvis smeltzekeringenfabriek” in Utrecht.

Omdat ik na het bewuste weekend niet direct een nieuwe baan had, belandde ik in de WW. Daar heb ik slechts 3 dagen in verkeerd en in het geheel geen uitkering aan kunnen ontlenen.

Na deze WW-periode kreeg ik een nieuwe betrekking bij de verzekeringmaatschappij AMEV in Utrecht.

Bij de AMEV heb ik 4 jaar gewerkt en ben ik begonnen met mijn studie actuariële wetenschappen. Voor mijn exacte vakken had ik de hoogst denkbare cijfers op mijn eindexamen gehaald, dus iets doen met wiskunde lag voor de hand. Het was een beetje geestdodende baan: vooral veel statistisch werk en het beheren van zogeheten grote collectieve contracten. Kortom bulkwerk.

Onze afdeling “Jaarwerk” was gevestigd in een kantoor, gelegen op het Kanaleneiland tegenover het hoge kantoorgebouw van Berenschot.

Vooral ‘s winters hadden we veel plezier om de vele fietsers, op weg naar hun werk op het vaak gladde fietspad tegenover ons kantoor, onderuit te zien gaan. Waarna menig hardgevallen fietser, in het zicht van onze afdeling, weer stoer opstond en vervolgens om de hoek bij van Berenschot weer van de fiets stapte om alsnog te grijpen naar de opgedane pijnlijke plekken.

Aangezien dit ongeveer het enige kantoorvertier in het jaar was, vertrok ik bij de AMEV zodra ik mijn eerste actuariële diploma had binnengehaald. Het beleid van deze verzekeraar was er trouwens ook op ingesteld om werknemers te stimuleren te gaan studeren. Je kon om die reden overdag ook naar colleges gaan, maar zodra er diploma’s werden gehaald, dan werden de studerenden al gauw te duur en konden ze maar beter vertrekken.

Binnen een financieel blok tijdens mijn studie, had ik te maken met een docent van de ouderwetse stempel.

Het was op een bloedhete dag aan het begin van de zomer, ergens in het universitaire centrum van Utrecht, dat deze man wat principes van het dubbel tabellarisch kasboek uiteen aan het zetten was. Als het in die tijd niets met wiskunde te maken had, dan was mijn aandacht vaak heel snel verdwenen, zo ook nu.

We schreven ons wezenloos om alles wat die man stond uit te kramen op papier vast te leggen. Toen ik op een gegeven moment constateerde dat hij zijn verhaal letter voor letter stond voor te lezen uit een bundeltje papieren, onderbrak ik onze docent met de vraag of hij ons niet gewoon een kopietje van zijn schrijverij kon geven, zodat we ons meer konden richten op een discussie over de inhoud van zijn voordracht. De man was zeer beledigd, ik werd nog net niet de collegezaal uitgezonden. Zijn motto was: “Als je het eerst een keer helemaal opgeschreven hebt, dan onthoud je het beter”. Het is wel een heel ouderwetse opvatting, maar het klopt wel een beetje.

Met mijn actuariële diploma op zak, solliciteerde ik na mijn AMEV-periode bij “De Zwolsche Algemeene” aan de Oudenoord in Utrecht.

Bij ZA werd een chef voor de afdeling Wiskunde gezocht. Deze wiskundeafdeling was belast met het maken van allerlei ingewikkelde berekeningen inzake pensioen- en levensverzekeringen.

Mijn sollicitatie verliep zeer voorspoedig en de mij in het vooruitzicht geboden beloning was zo goed als een verdubbeling van wat ik tot dan bij de AMEV verdiende.

De geschiktheid qua kennisniveau was sowieso in orde, maar men wilde toch nog wel dat ik een psychologische test ging afleggen.

Ik liet me daardoor natuurlijk niet uit het veld slaan. Maar ja, wat gaan die psychologen over mijn persoontje op papier zetten, was mijn verontrustende overweging. Straks stellen ze vast dat ik niet goed snik ben, dacht ik.

In die dagen was een psychologisch onderzoek naar de geschiktheid van een kandidaat voor een functie niet standaard. Het ging vrijwel altijd uitsluitend om je opleiding en of je een fatsoenlijke sollicitatiebrief kon opstellen.

Toen ik later, in de late tachtiger-negentiger jaren van de vorige eeuw, zelf personeel rekruteerde, viel het mij op dat zelfs een gymnasiast niet meer in staat was om een fatsoenlijke sollicitatiebrief te schrijven, terwijl zo’n persoon in mijn schooltijd al werd gezien als een halve wetenschapper. Heden ten dage is het er bepaald niet beter op geworden. Met de bijna alom gebezigde “Turbotaal” zijn we weer bijna terug bij af. Het taalgebruik van tegenwoordig komt meer overeen met dat van onze voorgangers in de evolutie dan dat we kunnen spreken van een verdere ontwikkeling op weg naar excellente communicatie.

Het is tussen mensen onderling altijd al moeilijk geweest om goed onder woorden te brengen wat men nu echt bedoelt. Zelfs goddelijk geïnspireerde mensen zijn daar niet toe in staat, blijkt wel.

We beschouwen onszelf als intelligente wezens en kijken veelal neer op dieren. Terwijl wij hard op weg zijn om weer als apen te communiceren, zijn dolfijnen in staat, via het doorgeven van een paar subtiele toontjes, elkaar veel meer door te geven en elkaar beter te verstaan.

Het lijkt er bovendien sterk op dat de massa steeds dommer wordt en dat het geheel bestierd wordt door een steeds kleiner wordend groepje intelligente mensen.

Vaak amuseer ik me over het feit dat veel van die aardige ouders er zo van overtuigd zijn dat hun kindjes zo intelligent bezig zijn met hun “iPadje”, terwijl het alleen maar spelen is met kant-en-klaar programmaatjes. Laten die ouders hun kindertjes eens in veel grotere mate stimuleren om eigen computerprogramma’s te schrijven, waar we met z’n allen mee vooruit kunnen komen, dan het spelen van die geestelijk afstompende computerspelletjes.

Ik moest dus psychologisch getest worden om te doen vaststellen of ik wel intelligent genoeg was om zo’n “hoge functie” te bekleden. Ik had er zelf totaal geen zicht op of ik dat wel zou aankunnen. In die tijd had ik namelijk lang niet zo’n hoog zelfbeeld als tegenwoordig. Ik was er dus niet echt gerust op of ik dat “psychologische varkentje” wel even zou wassen. Mijn enige ervaring met zo’n test dateerde van pakweg 20 jaar daarvoor.

In het Academiegebouw aan het Domplein heeft toen een aantal wetenschappers eens proberen vast te stellen wat er zich onder mijn schedeldakje verborgen hield: Wat zit er in dat jongetje?

Ze lieten mij met allerlei mooi speelgoed spelen. Voor mij was dat een uitzonderlijke ervaring want thuis, op het hoofdkwartier van het Leger Des Heils afdeling Utrecht, was er niet zoveel om mee te spelen.

In die dagen werd mijn aandacht nog niet zo sterk getrokken door meisjes. Er was binnen het aangeboden “speelgoed”, voor zover ik me dat kan herinneren, ook niets aanwezig dat daarop leek of het moet een ter plekke aanwezige studente zijn geweest die kennelijk niet tot mijn verbeelding sprak.

Het viel de verzamelde intelligentsia wel op dat mijn handjes steeds bezig waren een houten spoortreintje vooruit te duwen. De wat al te voor de hand liggende conclusie die daaruit getrokken werd was: “Dit jongetje wordt vrijwel zeker een machinist op een trein”. Dat is dus niet gebeurd, verre van dat.

Toch hadden onze “grijze massa” onderzoekers wel een beetje gelijk: ik ben namelijk gek op treinreizen en op de tv-serie “Rail Away”, het is één van mijn favoriete tv-programma’s. Dit laatste zal ook wel te maken hebben, en nu waag ik me even in de schoenen van onze psychologen, met het feit dat mijn moeder zoveel op had met de EO: de omroep die deze serie op tv brengt.

Voor de vaststelling van mijn geestelijke capaciteiten, meldde ik mij op 28 augustus 1975 in Haarlem bij “Psychologisch Adviesbureau Slikboer en Ten Hagen”.

Zoals het een toekomstige “Ier” betaamt, arriveerde ik ruimschoots te laat op dit bureau. In een opstelletje dat ik in de loop van de dag gevraagd werd te schrijven, ging ik daar nog eens op in, namelijk hoe je dat als psycholoog moest uitleggen of populair gezegd moest duiden: het te laat komen op zo’n belangrijke afspraak.

Ook ging ik in op wat zo’n onderzoek over mij nu eigenlijk zou kunnen uitwijzen. Wetende wat voor een persoon er gezocht werd, beantwoordde ik de vragen gewoon in de richting van de kandidaat die voor ogen stond. Tenslotte was het niet zo moeilijk te doorzien dat die vragen steeds weer in een andere variant aan je werden voorgelegd, waarschijnlijk met het oog op het vaststellen van consistentie in je beantwoording.

Je kunt je natuurlijk afvragen of het zinvol is, bij de beantwoording van die vragen, je te begeven in de figuur van de gewenste kandidaat door je eigenlijk anders voor te stellen dan je bent. Dat laatste is welbeschouwd niet het geval want het maakt deel uit van de persoon die je bent dat je je zo opstelt.

Het systeem was wellicht niet toereikend op zo’n aanpak ingesteld, indien je niet door de mand valt als je consequent in die andere rol weet te antwoorden.

Natuurlijk werd je ook nog eens met een hele reeks vragen geconfronteerd teneinde te kunnen vaststellen of je logische verbanden zag of niet.

Na een dagje met al die psychologische vraagstukjes te hebben gestoeid, nam ik de trein weer terug richting Utrecht met een envelop op zak met de uitslag daarin. Die uitslag was op het psychologische bureau eerst nog met mij besproken voor ik vertrok.

Slechts een drietal opmerkingen uit het rapport vond ik wel aardig om hier de aandacht op te vestigen: “Hij laat zich echter niet gauw op sleeptouw nemen door zijn fantasie”, “In de aanpassing blijft hij zichzelf en geeft hij zich niet meer bloot dan hij nodig vindt” en tot slot “Als mens is hij een individualist, maar scherpe kantjes vertoont hij niet”.

Ik ben zeer benieuwd, indien men mijn schrijfsels op dit bureau onder ogen zou krijgen, of men dan nog steeds achter die opmerkingen zou staan.

Desalniettemin. De volgende dag overhandigde ik de directeur Personeelszaken van de Zwolsche Algemeene de desbetreffende envelop. Dezelfde dag nog werd ik als het nieuwe hoofd van de wiskundeafdeling aan mijn collega’s voorgesteld.

 

EINDE

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/