Aflevering 2: De rol van Judas

DE ROL VAN JUDAS
Geschreven door Bert Plomp

In de zomer werden op Het Grote Bos allerlei sportieve activiteiten georganiseerd, zoals voetbal- en volleybaltoernooien.
Er werden ook prachtige bioscoopfilms gedraaid in een afgeladen “grote zaal” van de camping. Terwijl er regelmatig een zwaar onweer woedde buiten en het bliksemde en donderde, zagen wij binnen films als “Gone with the wind”, “Fernandel” en “High noon”. Zo kwamen die kassuccessen pas extra tot hun recht.
Ook werden er frequent dansavonden georganiseerd. Iedere zondagavond was er kampvuur en dan werd er veel gezongen, werden er spannende verhalen voorgedragen en traden allerlei muzikanten op.
Gedanst werd er op het grote plein. Vooral volksdansen op dienovereenkomstige muziek met daar tussendoor wat plaatjes van The Stones en van The Beatles, waarop jongens zoals ik, met al dan niet reeds veroverde meisjes, pas in beweging kwamen.
Broer Theo daarentegen was echt van het volksdansen. Hij was dan ook vooraanstaand lid van de “Boshoppers”: de volksdansgroep van de camping. Ik kon me in dat huppelende volkje in ‘t geheel niet vinden. Er zaten trouwens ook weinig leuke meiden bij.
Al die leuke activiteiten werden georganiseerd door de recreatieleider van de camping, min of meer de rechterhand van de almachtige leider “Rijks”.
Deze recreatieleider was een soort “Yellow-Coat”, zoals in de Engelse comedy serie “Hi-de-Hi” te bewonderen valt, waarbij ik de serie en de “Yellow-Coats” tekort zou doen wanneer ik hier niet direct aantekende dat het op het recreatiepark van de BBC-serie toch vele malen leuker vertoeven was en dat de “Yellow-Coat”-meisjes er veel appetijtelijker uitzagen dan onze HGB-recreatieleider en zijn assistenten.
Eén recreatieleider in het bijzonder heeft heel lang stand weten te houden en heeft heel goed gepresteerd op onze camping, totdat bleek dat hij zijn recreatieopdracht wat al te ruim had geïnterpreteerd door vooral jonge “onschuldige” jongetjes in zijn aan het zicht onttrokken houten huisje in het bos nog eens privé te amuseren. Ofschoon de “heilige leiding” van HGB in die dagen al geruime tijd op de hoogte bleek te zijn van deze exclusieve activiteiten, werd het heel lang onder de christelijke pet gehouden.
Hoewel deze entertainer in kerkelijke dienst heel veel positiefs heeft gedaan, kun je zoiets met de beste wil van de wereld niet meer goed maken, ook al zou je je verder gedragen als de Messias zelve.
Even terzijde: De persoon in kwestie ging er prat op dat hij veel van kunst wist. Zo gebeurde het dat hij eens te gast was in onze bungalow, alwaar wij boven de open haard een icoontje hadden hangen. De kunstkenner zag direct dat het hier om een bijzonder stukje kunst ging.
Wijdbeens voor de haard staand, met z’n armen over elkaar geslagen, zei hij: “Bert, dat is een waardevol icoontje dat je daar hebt hangen”.
Jammer voor hem, kon ik de verleiding niet weerstaan hem direct uit zijn droom te helpen en uit te leggen hoe wij beslag hadden weten te leggen op dit kostbare stukje heilige kunst.
We hadden een aantal jaren eerder gemeend, naast de gebruikelijke wereldse kerstcadeautjes te kopen voor onze dochter, haar ook iets stichtelijks te moeten schenken. Op de speelgoedafdeling van V&D hadden we toen vlak voor sluitingstijd een soort icoon-bouwpakketje gevonden. Dit pakketje bestond uit een houten plankje, een heilige beeltenis op een soort cellofaantje en een flesje met bijtende vloeistof. Volgens de gebruiksaanwijzing diende de beeltenis op het plankje bevestigd te worden en daarna de inhoud van het flesje over het gehele lijstje te worden uitgesmeerd, teneinde het geheel een antiek karakter te geven. Nadat hij deze uitleg had aangehoord, wijzigde hij zijn aanvankelijke wijdbeense houding in een meer gekruiste benen-houding, alsof hij zojuist een trap in het kruis had ontvangen.
Na de periode Rijks, arriveerde ene Kuilenburg op Het Grote Bos.
Kuilenburg was meer een kantoormannetje, die zijn vazallen vanachter z’n bureau in het hoofdkantoor het bos door dirigeerde. Dit bescheiden optrekje werd vreemd genoeg hoofdkantoor genoemd, terwijl er geen ander kantoor op de camping aanwezig was.
De sfeer in het bos bleef vrijwel identiek omdat het bos het bos bleef en ook de recreatieleider dezelfde bleef.
Hoewel, voor mij veranderde de sfeer toch wel omdat ik onder het regime van deze man, althans in zijn beleving, een aantal keren van het bos verwijderd ben geweest. Maar ik vond de weg altijd wel weer terug naar ons verblijf via de achteringang van de camping. Ik mocht dan weliswaar geëxcommuniceerd zijn, de rest van de familie niet. Dus onze verblijf bleef gewoon overeind staan en ik bleef ‘m gewoon gebruiken.
Na Kuilenburg volgde Cees Otto. Met hem heb ik het ook wel eens aan de stok gehad maar dat was van weinig betekenis. Cees was ook bepaald geen despoot, zoals zijn voorgangers. Daar kwam ook bij dat ik inmiddels al lang geen opstandige teenager meer was.
Cees en ik hadden ooit één noemenswaardig conflict.
Vlak bij onze bungalow stond ooit een overhangende naaldboom, waarvan ik vreesde dat hij vroeg of laat om zou gaan en ons dak zou treffen. Het hoofd van de technische dienst van de camping had ik al meerdere malen gevraagd iets aan die gevaarlijke situatie te doen. De man gaf echter nooit thuis. Het was ook weer een type met wie ik niet uit de voeten kon, zal ik maar zeggen. Bovendien had hij een bijzonder onsympathieke kop. Een kop gelijk een lelijke uitvoering van Hannibal Lecter.
Toen het te lang ging duren besloot ik, zoals ik gewoonlijk pleeg te doen, het heft maar in eigen handen te nemen en de boom zelf om te leggen.
De beste tijd om zoiets in Het Grote Bos te doen, was wanneer op een willekeurige zondagmorgen na 10:00 uur AM het christelijke volk zich verenigde in de grote zaal van HGB voor de kerkdienst.
Voorafgaande aan deze godsdienstoefening werden de gelovigen opgeroepen zich naar de tempel te spoeden door langdurig klokgelui, gedurende alle seizoenen van het jaar.
In de buurt van dit gebouw bevond zich namelijk de zogeheten “bosklok”. Deze grote klok was geplaatst op een heuveltje en daar stond iedere zondagmorgen ruim voor aanvang van de dienst een of andere maniak zeker een half uur lang als een bezetene aan die grote bel te rukken. Zodoende kon er van lekker uitslapen, na een avondje uit, nooit echt sprake zijn voor ongelovigen of voor gelovigen die het met “de Leer” niet zo nauw namen.
Toen op de bewuste zondagmorgen, naar mijn inschatting, de godsdienstoefening behoorlijk op stoom was gekomen, brak voor mij het moment aan de kettingzaag aan de stam van de gewraakte boom te zetten. Na enig zaagwerk begon de boom zich in de gewenste richting neerwaarts te bewegen. De boom was evenwel toch veel zwaarder dan ik vooraf had ingeschat. Toen de boom de grond geselde, bracht dat een schokgolf teweeg, waarvan menig seismoloog zou watertanden.
De aldus in gang gezette aardschok, eenmaal de bosklok bereikt hebbende, gaf een enorme ruk aan de bel. Een ruk, waartoe onze fanatieke beller in zijn beste dagen niet in staat was geweest, zelfs niet op kerstavond.
De op dat moment in diep gebed verzonken gelovigen, werden daarin door het onverwachte luide klokgelui ruw verstoord.
De aanstichter van dit onheil werd nog diezelfde dag, wat heel ongebruikelijk was op de dag des Heren, gemaand om zich met spoed op het kantoortje van de bosmanager te melden.
De heer Otto kon dit kwaad natuurlijk niet ongestraft laten en legde mij een boete op van 100 gulden voor het ongeoorloofd omzagen van een boom.
Omdat ik niet bereid was een boete te betalen, kwamen we overeen dat ik dat bedrag aan een goed doel zou schenken. Aldus geschiedde. Het bedrag stortte ik ten slotte op de rekening van een ideële organisatie en wel een organisatie die zich inzet voor het opnieuw in omloop brengen van oude natuurtijdschriften. Natuurtijdschriften met zwart-wit foto’s van naakte blonde atletisch gebouwde vrouwen van Germaanse komaf.
Zoals ik reeds meldde, was er op zondagmorgen weinig kans op uitslapen. In de zomer of op zondagen dat het weer aangenaam was, was die kans nog een stuk kleiner. Het Grote Bos kende in die tijd namelijk ook nog een Openlucht Theater. Ik heb die benaming, voor hetgeen je op die plek aantrof, altijd pretenties gevonden.
Het theater bevond zich rond een vennetje in het bos. Aan de ene kant van het water – het was eigenlijk niet meer dan een drooggevallen greppel – was een hellinkje en aan de andere kant was een tegelvloertje gelegd en een opberghokje getimmerd. Door er boomstammetjes op te leggen was gepoogd dit hellinkje het aanzien en het gemak van een soort zittribune te geven. Alles bij elkaar opgeteld heette het een Openlucht Theater te zijn.
Gelet op het aangezicht en het voornaamste gebruik van het “theater”, leek mij de naam Godsdienstkuil of Gemeenschapskuil meer op z’n plaats. Maar ja, die eerste benaming ligt bij gelovigen denk ik niet zo lekker in het gehoor en wordt al gauw in het rijtje geplaatst van andere kuilen zoals valkuil en die tweede benaming moedigt de argeloze kampeerder wellicht aan het theater te bezoeken om het verrichten van andere activiteiten dan godsdienstoefening. Omdat er zich ook al een kampvuurkuil op het terrein bevond, was het toch niet eenvoudig een meer originele benaming te vinden voor zoiets.
Dat er op mooie zomerse zondagen helemaal geen sprake kon zijn van uitslapen, kwam omdat de “kerkdiensten” dan niet in de in de grote zaal maar in dit Openlucht Theater plaatsvonden.
Op zo’n zondagmorgen werd er dan aan de ene kant van het bos langdurig de bosklok geluid en begon een tweede godsdienstmaniak – er was in HGB bepaald geen gebrek aan zulke lieden – aan de andere kant van het bos in het Openlucht Theater, gebruikmakend van een zeer zware geluidsinstallatie en de volumeknop voluit draaiend, allerlei grammofoonplaatjes af te spelen met psalmen. En tussen die twee lawaaibronnen in, ongeveer in het midden, bevond zich ons huisje, waarin wij op deze rustdag nog wat trachtten uit te slapen. De Heer zal op deze wijze wel wraak hebben willen nemen op onze kabaalmakerij vroeger in het Lodewijk Napoleonplantsoen, waar we platen van Led Zeppelin veel te luid afspeelden op een tijdstip dat een goed Christen geacht werd al lang te slapen.
Ene familie Pepermans was doorgaans verantwoordelijk op HGB voor alles wat met geluid maken van doen had. Volgens mij runde vader Pepermans in het dagelijks leven een radiozaakje of iets dergelijks of mogelijk had zijn zoon Hennie, de “platendraaier”, ooit met succes een lts-opleiding radiotechniek weten af te ronden. Hoe het ook zij, Hennie hield ervan om aan de knoppen te zitten, van geluidapparatuur wel te verstaan. Daarom was hij altijd paraat bij kerkdiensten, bij volksdansen, bij opvoeringen enzovoort. Kortom hij was bij alles present, waar versterking van geluid gewenst was. Hennie en zijn zus Betty waren lichtende voorbeelden van jonge mensen, zoals onze christelijke leiding jongeren graag zag opgroeien: echt 100 procent in het licht van de bijbel opererend. Zij waren de verpersoonlijking van het begrip heilige boontjes.
Ook mijn oudste broer Theo heeft ooit een rolletje van betekenis gespeeld in het Openlucht Theater.
Toen het eens mooi weer was met Pasen, werd er besloten de uitvoering van het Passiespel in het Openlucht Theater te houden.
Een aantal leden van de boshoppers, de club waarvan mijn broer heel lang lid is geweest – voor een gezonde jongen veel te lang -, werd gevraagd deel te nemen aan dit stuk.
De sympathieke rollen, zoals die van Jezus en Maria, gingen allemaal naar heilige boontjes zoals Betty en Hennie, en wie kreeg de rol van Judas? Juist: broer Theo, een uiterst sympathieke jongen die het met zijn medemens altijd goed voor heeft gehad en werkelijk nog nooit een vlieg kwaad heeft gedaan. Dit was typisch weer zo’n achterbakse christelijke streek om ons gezinnetje een lesje te leren.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/