Aflevering 1: Een soort ADHD-lijdertje

EEN SOORT ADHD-LIJDERTJE
Geschreven door Bert Plomp

In mijn jeugd ben ik vaak geheel op mijzelf aangewezen geweest. Op heel jonge leeftijd moest ik het zelf maar zien te rooien. Mijn ouders hadden het gewoon te druk met andere zaken.
Naar mate ik ouder werd, ontwikkelde ik zodoende een houding van “ik kan het ook wel alleen af”.
Aanvankelijk voelde ik me onder die opstelling niet al te behaaglijk, later leidde die er echter toe dat ik het eigenlijk wel goed kon vinden met mezelf.
Als je, na vele jaren van verzet tegen anderen, zo onafhankelijk door het leven wandelt, dan wekt dat hier en daar irritaties op. Irritaties, vooral bij personen die op meer aanzien rekenen. Bij personen die zich verschuilen in een groep en bij personen die zelf onzeker zijn.
Het is daarom niet zo vreemd dat ik op school, in mijn korte militaire diensttijd en in mijn werk regelmatig botste met zulke individuen.
Niettegenstaande dat, weet ik me toch wel redelijk te gedragen in gezelschap. Althans die indruk krijg ik.
Ik vind het leuk tussen vrienden te verkeren. Onder vrienden te zijn die mij goed kennen en zich daarom niet echt storen aan mijn zo nu en dan wat scherpe reacties, welke ik altijd ook wel weer relativeer.
Afgaande op uitspraken van mijn moeder, moet ik een heel druk en nerveus kind zijn geweest: een soort “ADHD-lijdertje”.
Omdat die kwaal in mijn jeugd nog niet was uitgevonden, mocht ik indertijd niet rekenen op de speciale warme aandacht die patiëntjes thans wel krijgen. Het gaf mijn ouders juist reden om mij drie opeenvolgende zomers acht weken lang van huis en haard te verdrijven naar een zogenaamde vakantiekolonie.
Een passender benaming voor zo’n kolonie vind ik eigenlijk een strafkolonie: een soort tuchthuis voor jonge kinderen. Een instituut dat voor een kind niets met vakantie had uit te staan.
In drie jaren kolonie heb ik een sterke aversie opgebouwd tegen autoriteit. Tegen gezag in z’n algemeenheid en tegen alles wat in een uniform is gestoken.
Voor zover ik me mijn kleutertijd kan herinneren, was ik een vrij rustig jochie dat graag op onderzoek uitging en ook liefst zijn eigen weg ging.
Wat is daar nu op tegen, kun je je afvragen.
Wel, toen ik 4 jaar oud was leidde dat er bijvoorbeeld toe dat mijn hoofdje bijna gemangeld werd tussen de draaideuren van Hotel Smits. Een bekend hotel op het Vredenburg in het centrum van Utrecht.
Het is dankzij mijn harde kop dat ik nog in staat ben over deze gebeurtenis te schrijven.
Mijn ouders hadden in die dagen de leiding over het Leger des Heils, afdeling Utrecht. Het was niet hun hoogste prioriteit een warme band te hebben met hun eigen kinderen. Voor het werk voor deze organisatie moest alles wijken. Het helpen van andere mensen en kinderen ging altijd voor.
Onder deze omstandigheden werd ik als enige van de drie kinderen drie zomers lang verbannen naar een uithoek van het land, naar een godvergeten vakantiekolonie.
Op 4-jarige leeftijd werd ik simpelweg aan het begin van de zomer van 1952 afgeleverd bij een consultatiebureau aan de Kruisstraat in Utrecht, tegenover de RHBS.
Uitgerust met een koffertje met kleding, moest ik plaats nemen in een speciale bus. Een bus die mij naar een vakantiekolonie in Egmond aan Zee zou transporteren, tezamen met een heel stel andere lotgenoten.
De week voorafgaande aan het vertrek, had mijn moeder in al mijn kleding nog mijn naam geborduurd.
Deze zogenaamde vakantiereisjes waren met name bedoeld voor kinderen met een zwakke gezondheid. Voor bleekneusjes die op het vakantieadres in de frisse lucht weer konden aansterken.
Wellicht waren er kinderen in mijn drie lichtingen, die echt wat ongezond waren. In mijn geval was daar absoluut geen sprake van. Mijn ouders wilden me gewoon een poosje kwijt omdat ze het te druk hadden met heilszaken.
Foto’s uit die tijd duiden ook op een blakende gezondheid mijnerzijds. Okay, misschien had ik wel een beetje last van “ADHD” of beter gezegd: hadden zij er last van.
Het lijdt geen twijfel dat mijn ouders heel mooi werk verrichtten voor de medemens. Dat vergde echter zoveel tijd en aandacht van hen, dat er geen ruimte resteerde voor dat drukke jochie. Zoonlief moest zijn “heil” maar gaan zoeken in een vakantiekolonie aan de kust. Bij norse manwijven in gesteven witte schorten.

WORDT VERVOLGD

Voor meer gratis verhalen en columns, meld je aan op mijn FB-pagina:

https://www.facebook.com/groups/377554749281077/